Aspectibus

B e g r i p p e n l i j s t

Lexicon = woordenboek of verzameling woorden en hun betekenissen, definities etc.

Thesaurus = hulpmiddel dat synoniemen en gereateerde termen van een woord of uitdrukking bevat

Activiteit of taak

Een activiteit of taak is een bezigheid van handeling of arbeid die iets (robot/3d printer) of iemand onderneemt. Gerelateerd aan de bouwsector kan het gaan om het verrichten van arbeid als onderdeel van:

  1. Een dienstverlening, een overeenkomst van opdracht, zoals het maken van een pve, haalbaarheidsstudie, ontwerp, het toezicht daarop, alsmede het schoonmaakwerk aan en op bouwdelen en componenten in de gebruiksfase van een (bouw)werk;
  2. Een overeenkomst van aanneming van werk, het bouwen, verbouwen, renoveren, restaureren en instandhouden van een bouwwerk (object).

 

Een activiteit of taak is bij een aannemingsovereenkomst de inspanning (arbeid) die nodig is om de gewenste technische oplossing, voortgekomen uit de functieboom (FBS) en de eisenboom (RBS), te kunnen realiseren. Het object in deze kan dan bijvoorbeeld het bouwdeel zijn.  De technische oplossingsspecificatie (beschrijving) in de TO-fase bestaat dan uit de activiteit (WBS), arbeid (A) en het middel (PBS) (M). Tezamen met klein materieel maken ze een belangrijkrijk onderdeel uit van een zgn. MAMO-begrotingsregel. Activiteiten of taken zijn nodig bij nieuwbouw, renoveren, restaureren en instandhouding maar ook bij alle vormen van onderhoud zoals (plan)matig onderhoud en dagelijks onderhoud (stofzuigen). 

In de context van bouwkosten verwijst de term "activiteit" meestal naar een specifieke taak, handeling of proces die wordt uitgevoerd tijdens de uitvoeringsduur van een (bouw)project. Iedere activiteit of taak brengt arbeidskosten met zich mee. Een  activiteit of taak heeft een bepaalde tijdsduur (arbeidsnorm), start- en eindmoment en kan afhankelijk zijn van andere activiteiten en bouwplaatsinrichting (bouwplaatscoefficient).


In het Object Specificatie Systeem (OSS) is een aparte kolom gereserveerd voor de activiteiten of taken, met een lijst voorgeselecteerde activiteiten of taken, zowel generiek als specifiek vooralsnog gericht op de bouwstof, zowel bij nieuwbouw als verbouw, dus voor de invulling van aannemingsovereenkomsten. T.z.t. zou het OSS uitgebreid kunnen worden voor diensten, zowel adviseursdiensten als dienstverleningen ten behoeve van de gebruiksfase als schoonmaakwerk. Een dienst is feitenlijk ook een taak.


Activiteiten of diensten bij werken en diensten zijn, generiek, onder meer (niet limitatief):

  1. Aanbrengen;
  2. Monteren;
  3. Verwijderen;
  4. Demonteren;
  5. Repareren;
  6. Conserveren;
  7. Herstellen;
  8. Graven;
  9. Oprichten;
  10. Afdekken;
  11. Poten;
  12. Schuren;
  13. Ophangen;
  14. Slopen;
  15. Afhangen;
  16. Leggen;
  17. Maaien;
  18. Knippen;
  19. Lassen;
  20. Verbinden;
  21. Ophangen;
  22. Voorstrijken;
  23. Boenen;
  24. Schoonmaken;
  25. Reinigen.
  26. Heien


Activiteiten en taken bij werken zijn, specifiek (de activiteit is gerelateerd aan de bouwstof, in zijn bouwdeel), onder meer (niet limitatief):

  1. Heien, funderingspalen van beton;
  2. Reinigen, vensterbank van natuursteen;
  3. Boenen, vloer van houtparket


Activiteiten Activiteiten conform tabel 4, A t/m D, van de NL/Sfb

Activiteiten en hulpmiddelen (arbeid en klein materieel), de A en M uit MAMO-regel. Dit kunnen activiteiten zijn, afhankelijk van het soort overeenkomst, van:

    1. Werken, zowel bij:
      1. Nieuwbouw, schilderen met een speciale roller;
      2. Planmatig onderhoud, reinigen met een speciale vloeistof;
      3. Renovatie, herstellen met een speciale schraper
      4. Restauratie, conserveren met een speciale kwast
    2. Diensten, schoonmaken, repareren, ontwerpen, berekenen;
    3. Leveringen, leveren plantmateriaal.


Bij bestaand werk hoeft de kolom PBS vaak niet ingevuld te worden, immers de bouwstof zit er al. Bijvoorbeeld boenen houten parketvloer als activiteit of taak volstaat.

Activiteitenboom

Een activiteitenboom (WBS) is in Systems Engineering (SE) een hiërarchische structuur die wordt gebruikt om de activiteiten of taken die nodig zijn voor het realiseren van een systeem (van een project) te organiseren en te visualiseren. De activiteitenboom kan worden uitgevoerd volgens verschillende methoden, afhankelijk van het type project en de voorkeuren van het projectteam. Een algemene aanpak voor het opstellen van een activiteitenboom is het identificeren van de hoofdactiviteiten per inkoopcategorie, zijnde:

  1. werken, een aannemingsovereenkomst, het maken van een fystiek en gematerialiseerd iets;
  2. diensten, een overeenkomst van opdracht, maken van een ontwerp;
  3. leveringen, een koopovereenkomst, het kopen/kopen van een bouwstof.


Onder de noemer van de Technische Oplossing kan de activiteitenboom (WBS) "gekoppeld" worden aan de middelen, de Product Breakdown Structure (PBS). Hierdoor ontstaan er een soort van besteksposten in wording, het wat, eender de opzet van een  klassieke STABU korttekst, waarin een Resultaatstitel samen met de Bouwstoftitel zijn gecombineerd middels de zgn. 1e gebruiksstructuur. Door dit, activiteiten en middelen, weer te koppelen aan de, met name bouwdelen uit de, objectenboom (SBS), verkrijg je weer een soort van moderne uitvoering van een klassieke bestekpost, zij het objectgericht en niet werksoort- of elementgericht. Desgewenst, eender bij de huidige STABU-besteksystematiek, kunnen deze bestekposten gekoppeld worden aan de sorteercode of boom, bijvoorbeeld een Techniekboom (werksoortenspecificatie) of Elementenboom (Elementenspecificatie). De suggestie van deze laatste opmerking is dat je van een sorteercode ook een SE boom kunt maken, zodat je verbanden kunt leggen, waardoor er spinnen met triples onstaan (kennisdata).


De techniekenboom (werksoort of ambacht, de gegroepeerde activiteiten)) zou een afgeleide van de gemodificeerde, al meer dan 40 jaar gebruikte STABU hoofdstukserie 01 classificatie kunnen zijn, maar dan bijvoorbeeld een 3 cijferig hoofdstuknummer in plaats van 2, aangevuld met technieken die met name voorkomen in de gebruiksfase van een project, zoals boenen en stofzuigen. Voordeel van een 3 cijferig hoofdstuknummer is dat huidige geforceerde combinatiehoofdstukken weer kunnen worden ontvlochten, zoals in hoofdstuk 33 de activiteiten van beglazingwerk (bij nieuw- en verbouw) en glazenierswerk (restauratie en instandhouding). Een ander voorbeeld van deze voorgestelde opsplitsing is het ontvlechten van baanvormige- en schubvormige dakbedekkingen (nu bij elkaar in hoofdstuk 33) en het opdelen van het huidige composiet hoofdstuk 48 (3-in1) van STABU. Uiteraard zijn deze bomen (xBS) ook te koppelen aan andere voor het betreffende project relevante SE bomen, bijvoorbeeld aangaande "(bouw)kosten" (KBS), "risico (RISMAN)" en "Arborisico (RI&E)" etc.


In het OSS kun je hersorteren naar Techniek en Variant-Element.


Actor

Van belang is dat "alle" belanghebbenden, personen (vaak namens organisaties), die betrokken zijn bij bepaalde beslissingen, zoals bij de prioriteitenstelling (MoSCoW) bij de functieboom (FBS), eisenboom (RBS), Technische oplossing (TO) en het testen en toetsen (V&V), om zoveel mogelijk context te hebben. Ook van belang is het "gewicht" van de persoon van zijn/haar inbreng. Het zou kunnen voorkomen bij een TO-contract een opzichter iets technisch verifieert en goedkeurt, de architect om esthetische redenen eveneens, doch dat de kwaliteitsborger, met een soort van veto-recht, vanuit wettelijke (Bbl) invalshoek het afkeurt. De actor is in IFC, IfcActor, de persoon die een omschreven functie, vaak namens een betrokken partij, uitoefent waarvan de taken en rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn afgesproken en (doorgaans) schriftelijk gedocumenteerd en gecontracteerd is (DNR+STB). Bij het doen van een project ten behoeve van een object, zijn, naast de opdrachtgever, dikwijls vele partijen, vaak specialisten, betrokken, naast stake- en shareholders. Een actor kan/kunnen derhalve zijn (niet limitatief) de volgende personen zijn:

  1. Opdrachtgever(s):
  2. Huurder(s);
  3. Architect;
  4. Adviseur E;
  5. Adviseur W;
  6. Adviseur Constructies;
  7. Adviseur Bouwkosten;
  8. Adviseur Bouwfysica;
  9. Adviseur Uitvoering;
  10. Projectleider(s);
  11. Directievoerder(s);
  12. Toezichthouder(s);
  13. Gebouwbeheerder;
  14. Facilitymanager;
  15. Kwaliteitsborger;
  16. Aannemer(s);
  17. Onderaannemer(s);
  18. Risicomanager;
  19. Veiligheidsadviseur;
  20. Omwonenden;
  21. Overheidsinstatie medewerker(s);
  22. Assessoren;
  23. Leverancier(s)


De entiteit IfcActor=definieert de personen die betrokken zijn bij een project, eventueel projectspecifiek gericht naar een fase.


Aggregatie

Bij aggregatie wordt aangegeven of iets onderdeel kan zijn van iets groters. Aggregatie is dus de samenvoeging tot een groter geheel. Bij aggregatie van systemen worden systemen samengevoegd en wordt vervolgens het onstane als een nieuw systeem gezien. Bij aggregatie van gegevens worden de waarden van eigenschappen van subsystemen samengevat (bijvoorbeeld door te tellen of te sommeren) tot een eigenschap van het systeem waar de subsystemen deel van uitmaken. Vaak is het een bottom up benadering. Bij aggregatie heeft het verwijderen van één element geen invloed op een ander gekoppeld element. Integendeel, bij de compositie heeft het verwijderen van een enkel element invloed op een ander bijbehorend element.


In het OSS zijn eisen op een bepaald niveau overerfbaar naar bovenliggende niveaus. Je kunt derhalve zowel top down als bottom up specificeren.


Aspect

Over het algemeen wordt het woord "aspect" gebruikt om een specifiek onderdeel of kenmerk van iets aan te duiden wat kan variëren afhankelijk van de context waarin het wordt gebruikt. Het langslopen van alle aspecten, als een checklist met vergeet-mij-nietjes, zorgt voor een betere en completere gespecificeerde specificatie, zo is de gedachte. Aspecten kunnen herleid worden aan bijvoorbeeld wet- en regelgeving zoals het Bbl en de DOP (CPR), maar ook aan marktconforme eisen zoals BREEAM en PKVW. Entiteiten in IFC bestaan in beginsel uit attributen, kenmerken (property of property-sets) en waarden, hetgeen ook een vorm van aspecten zijn die, indien nodig, gespecificeerd kunnen worden. Attributen hangen alle IFC-entiteiten (soort object). Een ander belangrijke aspect van IFC is het gebruik van TypeEnumeration (het type), als je verder onderscheid wil maken binnen een entiteit. Beiden zijn onderdelen binnen de BIM-basis ILS.

IFC is en database structuur waarin ieder object een record is of entiteit (wat voor soort object het is) waarvan er nu minimaal 776 zijn. In dat record wordt ook de klasse of type van de Entiteit aangegeven, de TypeEnumeration. Dit is om een onderscheid te kunnen maken binnen een entiteit. IFC voorziet in een set Enumerations per entity. Zo kan aan de entiteit IfcCovering de TypeEnummerations FLOORING of CEILING worden "gehangen".

Bij een entiteit horen eigenschappen of properties, waarvan er een aantal, in sets, zijn voorgeselecteerd. Daar deze eigenschapsets vaker terugkomen, kunnen ze worden opgenomen in zgn. "eigenschapsets", gelabeld met het voorvoegsel Pset_. Standaard worden objecten niet gekoppeld met individuele eigenschappen maar met sets.De extentie van een objectbeschrijving is *.ifc, een ASCII formaat. Ieder object in IFC bestaat uit een:

  1. Entiteitsnaam (Entity), daar waar het object idealiter geexporteerd dient te worden;
  2. klasse of type (TypeEnumeration);
  3. Eigenschappen of property, vaak via sets (propertysets/parametersets) gekoppeld. Een propertyset is lijst van attibuten met kenmerken, ook een vorm van vergeet-mij-nietsjes oftewel de aspecten;
  4. Eigenschap waarden.

Assembly code

ps vanuit het model kun je een txt bestand genereren vanuit de assembly code mits je eerst een codetabel hebt ingeladen. in KUBUSSpexx kun je onder de knop "genereren bestek" dit bestand inlezen.


Revit-families hebben een ingebouwde parameter genaamd Assembly Code. Standaard verwijst deze functie naarUniFormat, gemaakt door het in de VS gevestigde Construction Specification Institute (CSI). Met assemblagecodes kunt u gestructureerde informatie beheren en elementen in uw BIM-model classificeren. In Revit moet je deze file oppakken in het menu Assembly code settings, File location. Vervolgens kun je alle gemodelleerde objecten classificeren doch je kunt er ook een beperkt aantal oppakken, een selectie, om een stuklijst te genereren. Ook kun je een Clash Detection uitvoeren om de conflicten in kaart te brengen tussen meerdere aspectmodellen. Met de Assembly code kan men, hoewel nog niet gemeengoed, een brug slaan met de disciplines specificeren en bouwkosten, om zo het iteratief werken, een uitgangspunt van SE, invulling te geven.Voor het invullen van de Assembly code heb je voor Revit een Assembly Code File nodig. Deze kan je hieronder downloaden. Pak het zipbestand uit. Sluit het tekstbestand vervolgens aan onder [Manage] [Additional Settings] [Assemby Code]. Klik op [Browse] om het bestand te selecteren. NL-SfB 2019 classificatiecode variantelementen Assembly Code.txt


The 3 kinds of families in Revit are:

  1. system families,
  2. loadable families, and
  3. in-place families.

Most elements that you create in your projects are system families or loadable families. Loadable families can be combined to create nested and shared families.

Revit families zijn fundamenteel voor al onze projecten, zonder Revit families ben je namelijk nergens in een Revit project. Revit deelt families op in verschillende categorieën, wat begint met Systeem of Component.


Soorten families


  1. Systeem families, heeft Autodesk netjes ingebakken bij elke template die zij leveren, er is dus altijd wel iets om mee te modelleren. Denk hierbij aan Pipes, Ducts, Roofs etc. Deze systeem families zijn ook alleen maar te bewerken via de ‘types’ van dit product, enige limitaties zijn (helaas) daarmee ook ingebakken.
  2. In component families heeft een modelleur alle vrijheid, hij of zij kan hier echt iets creëren. Dat maakt ook dat erg veel opties zijn in de ‘family editor’ van een component family. Echter zijn component families zeer belangrijk voor een Revit project, en het is het zeker waard om te ontdekken! Want wederom, waar zouden we zijn zonder families?



    Het invullen van de assembly code is verplicht bij de BIM Basis ILS. En daarnaast gebruik ik het eerste deel van deze 4-cijferige code voor in de naamgeving van het object. Sterker nog. Als je de 2-cijferige NL-Sfb code in de naamgeving wilt aanpassen zul je eerst de Assembly Code moeten aanpassen. Ik maak gebruik van de UniformatClassifications_NL-SfB die de Revit Standards meesturen.  Als je deze niet gebruikt in Revit zal je niet optimaal gebruik kunnen maken van deze tool. Sterker nog, de tool zal proberen de Assembly Code aan te passen op basis van een verkeerde tabel - kijk uit dus.

    Maar het invullen van de Assembly Code geeft ook een eerste aanzet voor een juiste IFC mapping. De tool nodigt uit echt meer te halen uit de IFC. Natuurlijk kan je daar heel veel meer woorden aan vuil maken: Niet alles is ondersteund, veel onderdelen zijn ‘hardcoded’ etc. Maar het is goed dat er beweging in blijft en dat het allemaal wat toegankelijker wordt. De mapping tussen Assembly Code (NL-Sfb) en ifcEntiteit is nog niet compleet (ik ben nu gestopt bij 51 anders komt het nooit klaar). En ook inhoudelijk mag en kan, er best gediscussieerd worden over welke ifcEntiteit nu de juiste is. Ook is op enkele plekken de relatie niet 1 op 1 te maken en val je terug op de Revit Category Mapping. Dan blijft de mapping vooralsnog leeg. Eventueel maken we in de toekomst de mapping matrix een laag dieper door het aan te vullen met de Revit Category.

    Het is ook goed te beseffen dat het een voorstel/principe mapping is. Je kan per object een betere ifcEntiteit kiezen uit een drop down list.
    Waar nodig is de link naar de online Building-Smart documentatie ook aanwezig >>.

    Wat betreft de Basis ILS. Veel afspraken hebben te maken met de opbouw van een project (0-punt, bestandnamen, lagenindeling, doublures, gebruik van een correct materiaal –wat dat ook is-). Daar helpt de tool natuurlijk niet bij. Loadbearing is in Revit een Instance Parameter en brandwerendheid wordt ook vaak op Instance niveau opgelost. Daar helpt de tool ook niet bij want de tool kijkt op Type niveau. In en Uitwendig kan in de volgende versie wel worden meegenomen. Ook deze heeft een relatie met de Assembly Code – NL-Sfb 4-cijferig.

    De tool helpt vooral met benaming van elementen, ifcEntiteit. En dus ook met het mogelijk maken van de bijbehorende Common Property set. Maar als een trap met een Model-in-Place functie of als Generic Model wordt gemaakt … zul je toch echt met elkaar moeten gaan praten of dit juist een vreselijk goede of juist vreselijk slechte oplossing is. Eventueel kan de volgende site een 'oplossing' bieden 😊


    Hoe gebruik je de tool.

    In de eerste plaats: op eigen verantwoordelijkheid. Begrijp me goed. Ik ga er zelf ook mee aan de gang en zou dat niet doen als ik er geen vertrouwen in had. Maar ik wil geen gezeur. 

    Dus eerst Revit Synchroniseren of het Project opslaan. En dan pas aan de gang. Dit is sowieso een goede gewoonte als je met Dynamo aan de gang gaat. Houd altijd een backup achter de hand. Mocht het toch nodig zijn.

    De tool is HIER te downloaden. Download dit en zet alles bij elkaar in 1 map naar keuze zodat de relatieve verwijzingen blijven werken. Eventueel kan je de .DYF bestanden verwijderen als je al over de bijbehorende Packages beschikt. De verwachting is wel, dat er in de loop van de tijd meerdere aanpassingen aan de bestanden in .ZIP file gedaan gaan worden. Ik zal dan de bronbestanden gewoon veranderen. Het plan is wel om dan het een en ander van een log met datum te gaan voorzien.

    In de download ZIP zitten 2 Dynamo scripts: BIM_Standaard__Excel_naar_Revit.dyn en BIM_Standaard__Revit_naar_Excel.dyn.  De namen spreken voor zich. In de scripts zitten enkele Nodes uit Packages die ik nodig had. (Clockwork, Rhythm, Springs) Voor de zekerheid heb ik deze .DYF Nodes ook los in de ZIP file zitten.
    Ook kan je het enigszins aangevulde NL-RS excel bestand 160222_NLRS2.5.2_Naamgeving componenten.xlsx vinden in het .ZIP bestand. Hierin staan de naamgevingsafspraken van de Revit Standards op de Sheets pos1 t/m pos7.
    Over de kleine aanpassingen in dit Excel document, wellicht op een ander moment meer. Er zijn wel paar nieuwe Sheets aangemaakt. Dynamo maakt de Sheets Dynamo_Written en Dynamo_Error_Report aan. En overschrijft deze elke keer weer. Er zijn nog 2 instellingen Sheets: UniformatClassifications_NL-SfB en IFC Settings. De eerste Sheet spreekt voor zich. En de Sheet IFC Settings bevat alle benodigde lijsten met IFC benamingen.


    In het OSS bestaat de mogelijkheid om de IFC entiteiten automatisch over te nemen, middels het noemde IFC uitwisselbestand.


    Asset Management

    Assetmanagement is de internationale term voor het optimaal beheren van kapitaalgoederen (assets) die van waarde zijn voor een organisatie zoals het vastgoed. De invulling van 'optimaal' wordt ingegeven door de doelen die de organisatie nastreeft en de balans tussen prestaties, risico's en kosten. Assetmanagement is een strategische benadering voor het beheren van de volledige levenscyclus van fysieke bedrijfsmiddelen (assets) om waarde te maximaliseren, risico's te minimaliseren en de prestaties te optimaliseren. Deze fysieke bedrijfsmiddelen kunnen gebouwen (vastgoedbeheerder) zijn. Het doel van assetmanagement is om een geïntegreerde aanpak te bieden voor het beheren van activa gedurende hun hele levenscyclus, vanaf de planning en acquisitie tot het onderhoud, de exploitatie en uiteindelijk de vervanging of verwijdering. Dit omvat het identificeren van de waarde die activa aan een organisatie bieden, het beheersen van risico's die verband houden met het bezit van deze activa, en het optimaliseren van investeringen en operationele beslissingen.


    In de boom kosten (KBS) van het OSS zou hier wat mee gedaan kunnen worden zoals de waarde van de objecten en de inkomsten ervan.


    Attributen

    DankzijBIMis het mogelijk om een ​​virtueel gebouwmodel na te maken dat geen eenvoudige 3D-weergave is, maar een dynamisch model dat een scala aan informatie bevat over:

    • geometrie
    materialen
    • dragende constructiedelen
    • thermische en energieprestatiekenmerken
    • technische installaties
    • kosten
    • gezondheids- en veiligheidsaspecten
    • onderhoud en facility management
    • levenscyclus
    • etc.



    Alle IFC-klassen hebben attributen. Attributen bevatten een naam en een waarde.

    IFC componenten moeten correct ingestelde IFC-klassen en -typen hebben

    Voordat u onderdelen van een model gaat exporteren naar een IFC bestand, controleert u altijd eerst of de onderdelen die u wilt exporteren, beschikken over de juiste geldige IFC entiteiten zoals IfcBeam en IfcStair en niet ingesteld op None of Auto

    Elk afzonderlijk zelfstandig naamwoord, element, object of concept waarnaar we verwijzen, wordt in IFC een "klasse" genoemd.

    Alle digitale gegevens in IFC behoren tot een IFC-klasse.


    Tree is IfcProject (project)-IfcSite (grondstuk)-IfcBuilding-(Gebouw)-IfcBuildingstorey (verdieping)-IfcBuildingElements (objecten naar klasse).

    Klasse=wat ben ik

    Familie






    Een voorbeeldattribuut is hetNameattribuut dat allegeworteldeklassen erven. Een kan bijvoorbeeldIfcDooreen attribuut hebbenNamemet de waarde 'D01'. Kenmerken kunnen optioneel of verplicht zijn. Ze kunnen eenvoudige tekst opslaan, zoals hetNameattribuut, of complexere gegevens, zoals hetOwnerHistoryattribuut, waarin kan worden opgeslagen wie verantwoordelijk is voor het wijzigen van een object, inclusief hun naam, welke applicatie ze gebruiken, van welke organisatie ze deel uitmaken en hoe ze contact kunnen opnemen. hen.

    Attributen kunnen niet worden gescheiden van hun IFC-klassen. Wanneer een IFC-klasse wordt gedefinieerd, moeten de bijbehorende attributen ook worden gedefinieerd, of als leeg worden gemarkeerd als dit optioneel is. De lijst met attributen die voor elke IFC-klasse kan worden aangemaakt, ligt vast en is gespecificeerd in de IFC-specificatie. Het is niet mogelijk om als eindgebruiker attributen toe te voegen of te verwijderen. Om deze reden is er meestal maar een klein aantal attributen geassocieerd met elke IFC-klasse, en bevatten ze meestal zeer algemene gegevens die voor iedereen internationaal nuttig zijn. Ze blijven ook relatief stabiel tussen IFC-versies.

    Basisregistratie Adressen en Gebouwen

    De Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) bevat de officiële gegevens van alle adressen en gebouwen in Nederland, zoals bouwjaar, oppervlakte, gebruiksdoel (functie) en locatie conform de Rijksdriehoeksmeting (RD-stelsel) op de kaart. Gemeenten zijn bronhouders van de BAG. Zij zijn verantwoordelijk voor het opnemen van de gegevens in de BAG en voor de kwaliteit ervan. De gegevens over adressen en gebouwen stellen zij centraal beschikbaar via de Landelijke Voorziening BAG (LV BAG). Het Kadaster stelt gegevens vanuit de LV BAG op verschillende manieren beschikbaar, waaronder via de BAG Viewer. Met deze viewer kan men gegevens uit de LV BAG online opzoeken en bekijken. BAG gegevens kunnen een onderdeel zijn van IfcProject, IfcBuilding, IfcObject, en IfcSite etc.


    In  het OSS kunnen deze zaken meegenomen bij het item algemene projectinformatie maar ook specifiek bij de SBS, FBS en de info over de locatie.


    Beeldkwaliteit

    Beeldkwaliteit is een middel om de (gewenste) kwaliteit, anders dan de directe technische kwaliteit zoals bij de conditiemeting de conditiescore, te bepalen en vast te leggen. Beeldkwaliteit maakt het voor organisaties mogelijk om op een laagdrempelige manier te communiceren over de gewenste en de gerealiseerde of huidige kwaliteit. Met het meten van de beeldkwaliteit stelt men vast hoe een bepaald object er op een bepaald moment uitziet. Het werkt als een thermometer en geeft dus de toestand aan van het moment waarop je meet. Maar het zegt niets over technische kwaliteit of toestand. De resultaten van deze metingen zijn de 'scores op schoon en heel'. In de context van de bouwsector verwijst het begrip "beeldkwaliteit" dus naar verschillende aspecten, met name visuele, welke in de gebruiksfase van een gebouw belangrijk is.


    Beeldmeetlat

    Een beeldmeetlat beschrijft een kwaliteitscriterium met foto’s, beschrijvingen van bijvoorbeeld een object in de openbare ruimte of vastgoed. Bij elke beeldmeetlat wordt de score uitgedrukt in een kwaliteitsniveau. Beeldmeetlat kwaliteitsniveaus zijn:

    1. A+ = zeer goed;
    2. A = goed;
    3. B = voldoende;
    4. C = matig tot onvoldoende;
    5. D = onvoldoende tot achterstallig.


    Beeldkwaliteit is een soort van visuele esthetische conditie van een object, en spits zich niet enkel op het bouwdeelniveau.


    In het OSS kan deze conditievorm meegenomen worden waardoor de Technische oplossing, met name de activiteit, kan worden bepaald.


    Begrippen omgevingswet

    Door de jaren heen zijn er  een enorme hoeveelheid bestaande begrippen en soms onnodige variaties ontstaan in de gemeentelijke praktijk. De VNG
    adviseert om terughoudend te zijn met het apart opnemen en definiëren van nieuwe begrippen om zo onnodige regels te voorkomen. Om hierbij te ondersteunen is een beslisschema ontwikkeld voor het opnemen van begrippen als onderdeel van de ‘ontwerpvragen voor het omgevingsplan’. Ook is er een eerste opzet voor een gemeentelijke begrippenlijst ontwikkeld. Er is nu een kans om bij de invoering van de Omgevingswet begrippen beter te harmoniseren. Het harmoniseren van begrippen heeft, gezien de wildgroei, een duidelijke meerwaarde. Harmonisatie is van belang om als één overheid dezelfde taal te spreken, die aansluit bij normaal spraakgebruik.


    Beheerobject

    Afgebakende eenheid van een bovenliggend netwerk, een objectenportefeuille, een complex of een areaal die bestaat uit een samenhangend geheel van elementen met een of meer autonome gebruiksfuncties, bijvoorbeeld gebouw, viaduct of spoorweg. (NEN 2767)


    In het OSS kan men dit vastleggen


    Besluit bouwwerken leefomgeving

    Het voormalige Bouwbesluit 2012 is met de invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024, vervangen door het Bbl. In het Bbl onderscheid men:


    Gebruiksfuncties, zijnde:

    1. Woonfunctie;
    2. Bijeenkomstfunctie;
    3. Celfunctie;
    4. Gezondheidszorgfunctie;
    5. Industriefunctie;
    6. Kantoorfunctie;
    7. Logiesfunctie;
    8. Onderwijsfunctie;
    9. sportfunctie;
    10. Winkelfunctie;
    11. Overige gebruiksfumcties
    12. Bouwwerk, geen gebouw zijnde


    Deze indeling naar functie kan in het systeem opgepakt worden in de Functieboom (FBS).


    Afdelingen, zijnde:

    1. Veiligheid van een bouwwerk;
    2. Gezondheid van de gebruiker in een bouwwerk;
    3. Bruikbaarheid van bouwwerken;
    4. Energiezuigheid van bouwwerken;
    5. Milieu(vriendelijkheid) van bouwwerken.


    Deze indeling naar attribuut kan in het OSS opgepakt worden in de Eisenboom (RBS), de functie- en prestatie-eisen.


    Type, zijnde:

    Bestaande bouw;

    Nieuwbouw;

    Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van een gebruiksfunctie;

    Gebruik van bouwwerken;

    Bouw- en sloopwerkzaamheden.


    Deze indeling kan opgepakt worden in het OSS bij het voorblad met algemene projectzaken.


    BIM modelleerrichtlijnen Belgie

    Voor overdracht van ontwerp naar uitvoering naar gebouwbeheer. BIM steunt op samenwerking en informatie-beheer. Om de informatie efficiënt uit te wisselen aan de hand van o.a. 3D-bouwinformatiemodellen en specificaties daarin of daaraan gekoppeld, dienen er vooraf afspraken gemaakt te worden rond hoe deze informatie opgebouwd dient te worden zodat deze door een ander actoren betrokken bij het project, bruikbaar zijn. Bij een contractvorm waarbij de contractuele knip achter het TO zit, is dit echter moeilijk, aangezien het uitvoeringsteam pas betrokken wordt in het bouwproces als het ontwerp nagenoeg geheel is gerealiseerd, hetgeen ook van toepassing is op de overgang van de uitvoering naar de gebouwbeheerders/gebruikers. Om dit enigzins te verhelpen, zijn deze BIM-modelleerrichtlijnen opgesteld in Belgie.

    Bimcollab Zoom

    BIMcollab Zoom van KUBUS BV biedt model checking geïntegreerd met clash- en issuemanagement om efficiënt teamwerk mogelijk te maken met modellen van hoge kwaliteit als resultaat. Met deze applicatie kun je ook een IFC (2x3) bestand uitlezen en ondermeer bekijken welke propertys aan een object/component/entiteit gekoppeld zijn.

    Bouwdeel

    Volgens de "leer" van de bouwspecificatiedeskundigen en bouwkostendeskundigen geldt:

    1. Elementcluster=clustering van Variant-Elementen naar bv Gevel=XX.XX + YY.YY+ZZ.ZZ etc. lijkend op een IFC entiteit als Wall
    2. X-.--.--                 = Elementgroep, hoofdgroepen van elementen;
    3. XX.--. --              = Element;                                                                                                                                                                                              
    4. XX.X-.--              = Variant Elementengroep;
    5. XX.XX.--             = Variant Element, voorheen STAGG, hetgeen nu de elementenmethode genoemd wordt, de 4 posities in de BIM-basis ILS;
    6. XX.XX.XX            = Bouwdeel (officieus en zelf bedacht door de auteur);
    7. XX.XX.XX.XX      =Bouwdeelcomponenten (officieus en zelf bedacht door de auteur);


    Hierna komen pas de posities voor de technische oplossing, verwoord in activiteiten/taken, middelen/bouwstoffen, technieken/werksoorten e.d.

    Je zou dan 2 posities hebben voor alle bouwdelen en 2 voor alle componenten hetgeen erg karig is


    Volgens de onduidelijke leer van de oorspronkelijke NL/Sfb geldt:

    Elementcluster=clustering van Variant-Elementen naar bv Gevel;

    X-.--.--        = Elementengroep

    XX.--.--       = Element, bijvoorbeeld een Buitenwand en Buitenwandopening;

    XX.X-.--      = Variant Elementengroep, bijvoorbeeld dragend en niet dragend en gevuld met deuren, gevuld met ramen;

    XX.XX.--     = Variant Element (STAGG), wordt gebruikt in de BIM-basis ILS, dit staat thans te boek als de elementenmethode, bijvoorbeeld Daken, constructief, vlakke daken en Daken, constructief, hellende daken;

    XX.XX.X-    = Sub-Elementengroep (verdere verdeling naar Functie, bv H&S bij schuiframen (31.24)

    XX.XX.XX   =Sub Element, verdere verdeling naar type of soort (kan materiaalnaam in voorkomen)


    Volgens Ecoquaestor geldt:

    De 5e en 6e positie geeft onduidelijkheid in de praktijk zo blijkt. Bij Ecoquaestor zit daarin de activiteit/taak (meestal aanbrengen) en het middel en slaat daarmee een brug naar STABU werksoorten.


    Volgens Aspectibus geldt:

    Aspectibus stelt dat de activiteit/taak, in tegenstelling tot Ecoquaestor, pas in beeld moet komen na het bouwdeel, de fysieke en gematerialiseerde variant-element. Aan het bouwdeel kun dan allerhande activiteiten/taken koppelen zoals verwijderen, slopen, demonteren, aanbrengen, repareren, opschuren, schilderen, boenen, afnemen etc. Deze activiteiten/taken kun je desgewenst hersorteren naar bijvoorbeeld technieken/werksoorten of werkpaketten, beide als sorteercode's.


    In IFC is er geen expliciete  1 op 1 relatie met de de NL/Sfb, tabel 1, de Elementenmethode. De modelleur kan (moet) ten behoeve van de BIM-basis ILS deze variable meennemen. Enkele entiteiten die de IFC kent om de SBS in het OSS invulling te geven zijn:


    1. IfcBuilding, wordt gebruikt om geometrische en niet-geometrische informatie (Technische Specificatie) over het Gebouw vast te leggen en te structureren. 
    2. IfcBuildingElement, wordt gebruikt om van een Gebouw een fysiek onderdeel aan te duiden. Een fysiek element doch nog niet gematerialiseerd, zoals Wand. Van een Gebouw is een Wand dus een fysiek element doch noch niet gematerialiseerd element!
    3. IfcBuildingElementComponent, wordt gebruikt om van een Gebouw een fysiek subonderdeel van een fysiek onderdeel aan te duiden. Een fysiek subelement van een fysiek element doch nog niet gematerialiseerd, zoals Deur in Wand. Deur is dus een Fysiek subelement van fysiek element doch een niet gematerialiseerd subelement!
    4. IfcElementPart, een afzonderlijk deel van een bouwelement binnen een gebouw vertegenwoordigt. Het wordt gebruikt om complexe bouwelementen op te splitsen in individuele onderdelen voor gedetailleerde modellering en specificatie. Bijvoorbeeld, binnen een deur kan een scharnier een afzonderlijk onderdeel zijn dat wordt vertegenwoordigd door een IfcElementPart-object. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Elementonderdeel".
    5. IfcGroup, vertegenwoordigt verzamelingen van objecten met een specifiek doeleinde.
    6. IfcElement, vertegenwoordigt individuele bouwelementen binnen een gebouw, zoals muren, vloeren, deuren, ramen, trappen, enzovoort. IfcElement wordt gebruikt om gedetailleerde informatie over deze elementen vast te leggen, zoals hun geometrie,materiaal, eigenschappen en relaties met andere elementen binnen het model. Dit concept maakt het mogelijk om een volledige en nauwkeurige digitale representatie van een gebouw te creëren, wat waardevol is voor ontwerp-, constructie- en onderhoudsprocessen. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Element".
    7. IfcElementPart, een afzonderlijk deel van een bouwelement binnen een gebouw vertegenwoordigt. Het wordt gebruikt om complexe bouwelementen op te splitsen in individuele onderdelen voor gedetailleerde modellering en specificatie. Bijvoorbeeld, binnen een deur kan een scharnier een afzonderlijk onderdeel zijn dat wordt vertegenwoordigd door een IfcElementPart-object. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Elementonderdeel".


    In een bouwkostenraming (NEN 2699) kunnen kosten worden gegroepeerd op basis van elementen (cluster) zoals funderingen, structuur, gevel, dak, binnenafwerkingen, installaties, enzovoort. Deze elementgroepen bieden een gestructureerde manier om kosteninformatie te presenteren en maken het mogelijk om specifieke kostenposten te identificeren en te analyseren binnen het grotere geheel van een bouwproject. Deze cluster hebben wel verwandschap met een aantal IFC entiteiten.


    Bouwdeelnaam

    Volgens opvatting Aspectibus is de naam van het bouwdeel een samenstelling van de:

    1. Variant-Elementnaam conform de elementenmethode met de NAA.K.T materiaalbenaming (wat een combi is van Naam, Kenmerk en Toepassing); of
    2. de Ifc BuildingElement naam en de property Buildingmaterial naam (KUBUS) of
    3. Variant-Elementnaam conform de elementenmethode met tabel 3, constructiemiddelen, uit de NL/Sfb.


    Bouwdeelcode

    Volgens opvatting Aspectibus is de code van het bouwdeel de samentrekking van de code behorende bij de namen als hiervoor geopperd.

    Bijvoorbeeld bouwdeelcode 43.22.e2 is dan de lezen als bouwdeelnaam vloerafwerkingen, niet verhoogd, bekledingen van marmer. Op deze wijze was vroeger de NBD de Nederlanfse Bouwdocumentatie ingericht en later ook de Nijgh periodieken

    Aan de bouwdeelcode en naam dient nog een locatieparameter te worden toegevoegd.


    Definitief van het begrip Bouwdeel welke in omloop zijn/waren:

    1. Zelfstandig en aanwijsbaar deel van een element, onderscheiden naar samenstelling of constructiewijze, bestaande uit een of meer componenten waaraan technische eigenschappen en een onderhoudshistorie kunnen worden gerelateerd, bijvoorbeeld wandafwerking van behang (NEN 2767)
    2. een afzonderlijk element of onderdeel van een bouwwerk dat wordt beoordeeld op zijn conditie en functionaliteit.
    3. Een bouwdeel heeft meestal een specifieke functie binnen het bouwwerk en kan worden geïdentificeerd, beschreven en geclassificeerd op basis van verschillende criteria, waaronder materiaal, locatie en eigenschappen (had en heeft het). (staat) (NEN 3699)
    4. een specifiek bouwdeel dat is geclassificeerd volgens de richtlijnen en definities in deze norm. Deze classificatie kan betrekking hebben op verschillende aspecten van het bouwdeel, zoals de functie, locatie, materialen, afmetingen, enzovoort. (NEN 2660);
    5. Uit bouwstoffen samengesteld onderdeel van een bouwwerk, met een bepaalde, zelfstandige functie (NEN 3699);
    6. Concreet object met een specifieke prestatie, gedefinieerd door de aard van de technische oplossing en constructiewijze.

      Hiermee worden de (concrete) onderdelen van een (bouw)werk aangeduid die op basis van een geleverde prestatie invulling geven aan een of meer verlangde functies en tevens kunnen worden onderscheiden naar samenstelling of constructiewijze, bijv. aluminium vliesgevel, gewapend elementenvloer van beton of warmwaterverwarmingsinstallatie. (NEN 2660)


    Definitief van het begrip component welke in omloop zijn/waren:


    1. is een bredere term die verschillende soorten onderdelen in verschillende contexten kan omvatten, terwijl "bouwdeel" specifiek verwijst naar de onderdelen van een bouwwerk binnen de bouwsector. Bouwdelen kunnen worden beschouwd als een specifiek type componenten binnen de context van de bouw. (GPT)
    2. In het kader van bouwinformatiemodellering (BIM), worden "bouwdelen" in een IFC-model gebruikt om verschillende fysieke componenten van een gebouw te vertegenwoordigen.(GPT)
    3. In een Industry Foundation Classes (IFC) model wordt een "bouwdeel" vaak aangeduid als "IfcBuildingElement" of "IfcElement". Dit zijn generieke termen die worden gebruikt om verschillende fysieke componenten van een gebouw te vertegenwoordigen, zoals muren, vloeren, plafonds, kolommen, deuren, ramen, trappen, enzovoort. (GPT)


    Bouweenheid

    (NEN 2660) is uitvoeringseenheid

    Bouweenheden worden gedefinieerd op basis van hun functie en positie binnen de structuur van een gebouw. Ze kunnen worden beschouwd als de verschillende delen of elementen waaruit een bouwwerk bestaat. Bouweenheid lijkt op Elementcluster.


    Bouwlaag

    De IFC entiteit "IfcBuildingStorey" is de verwijzing naar een specifiek niveau of verdieping binnen een gebouw of bouwwerk. Het komt terug in de objectenboom (SBS). Het is eveneens een belangrijk item, bouwlaagindeling en naam, in de BIM-basis ILS. Volgens de Rijksvastgoed BIM Specificatie (RBS) is een bouwlaag de groepering van alle bouwwerkelementen die bij een te onderscheiden verdieping van het bouwwerk behoren. Een Bouwwerkelement is een ruimtelijk of materieel onderdeel van het bouwwerk. Bouwwerkelementen zijn de ruimtelijke, bouwkundige, constructieve en installatietechnische elementen of componenten, alsook inventaris-, uitrustings- en inrichtingselementen.


    Levels zijn in Revit niet alleen hoogtemarkeringen, ze zijn ook de opsplitsing van het model in de hoogte. Gebouwelementen worden veelal gerelateerd aan een Level. Levels kunnen worden voorzien van Views, dit wordt vaak gedaan om handig elementen te kunnen plaatsen op een Level.

    Levels en grids vormen samen met eventuele Reference Planes als het ware het geraamte van het model.

    • Levels kun je gebruiken om elementen aan te koppelen met onderkant Base en bovenkant Top.
    • Levels kunnen ook een View krijgen, zodat ze kunnen worden weergegeven als plattegrond (Floor plan).
    • Levels kun je in Revit standaard aanbrengen in een Doorsnede (Section) of Aanzicht (Elevation).
      • Deze Levels zijn 3D-objecten dus direct zichtbaar in alle views van het project.

    Bouwstof of constructiemiddel

    De definitie van het begrip "bouwstof" is:

    1. In de context van NEN 2660, materialen die worden gebruikt bij de bouw of constructie van gebouwen, infrastructuur en andere constructies.
    2. De UAV 2012 definieert bouwstoffen als: "de in het werk te brengen materialen, voorwerpen, onderdelen, installaties of onderdelen daarvan, grond van allerlei soort en dergelijke".
    3. Bouwstoffen zijn de materialen in bouwdelen en de componenten als onderdelen daarvan. Begrotingstechnische is een bouwstof een Middel als onderdeel van een MAMO begrotingsregel.


    In de B&U-sector kunnen bouwstoffen ingedeeld zijn conform de volgende classificaties:

    1. NAA.K.T. (geoppert in de BIM basis ILS);
    2. ETIM;
    3. Productiemiddelen, Tabel 3 van de NL/Sfb (werd ooit gebruikt door de Nederlandse Bouwdocumentie (NBD);
    4. Bouwstoffen STABU, B-categorie in de STABU database, is helaas enkel bekend bij STABU en haar licentiehouders en is geen open standaard;
    5. IFC material.


    IfcMaterial

    Binnen IFC wordt kan de entiteit materiaal beschreven, eventueel aangevuld met de toepassing van TypeEnumerations wanneer je verder onderscheid wilt maken binnen een deze Entity. IFC entiteiten hieromtrent zijn:


    1. IfcMaterial
    2. IfcMaterialClassificationRelationship
    3. IfcMaterialConstituent
    4. IfcMaterialConstituentSet
    5. IfcMaterialDefinition
    6. IfcMaterialDefinitionRepresentation
    7. IfcMaterialLayer
    8. IfcMaterialLayerSet
    9. IfcMaterialLayerSetUsage
    10. IfcMaterialLayerWithOffsets
    11. IfcMaterialList
    12. IfcMaterialProfile
    13. IfcMaterialProfileSet
    14. IfcMaterialProfileSetUsage
    15. IfcMaterialProfileSetUsageTapering
    16. IfcMaterialProfileWithOffsets
    17. IfcMaterialProperties
    18. IfcMaterialRelationship
    19. IfcMaterialUsageDefinition


    Met behulp van diverse gedefinieerde verschillende attributen, zoals naam van het materiaal, is deze entiteit te specificeren. Daarnaast zijn er Property Sets voor Objecten waarmee diepgaander kan worden gespecificeerd.


    Bouwstoffen STABU

    B-categorie in de STABU database, is enkel bekend bij STABU en haar licentiehouders.

    In de STABU besteksystematiek is de content ingedeeld in diverse categorien waarvan de bouwstofcategorie een belangrijke is. Zij (B) vormt namelijk met de zogenaamde resultaats specificaties (R), zijnde activiteit/taak rubriek, de aanzet van een bestekpost, een onderdeel van de beschrijving van het werk. In beginsel is deze categorie ingedeeld naar bouwstoffelijkheid, doch op sommige plaatsen, vanwege het gebruiksgemak, ook naar functie. Daar dit geen open standaard is, wordt deze niet algemeen gebruikt en is om die reden ingehaald door NAA.K.T. Helaas, want de STABU indeling is "zuiverder".


    Bouwproduct

    Materiaal of produkt, zoals dat wordt toegeleverd op de bouwplaats voor de realisatie van een component (NEN 2660).

    Bouwwerk

    Gebouwd (geconstrueerd) object dat invulling geeft aan een gevraagde (huisvestings) functie. Hiermee worden gebouwde of te bouwen constructies aangeduid die één geheel vormen en een specifieke functie vervullen, bijvoorbeeld een woonfunctie (NEN 2660).

    De definities in het kader van de CPR, de Europese productenverordening (CE-markering): "Elk product of kit dat wordt vervaardigd en in de handel wordt gebracht om blijvend te worden verwerkt in bouwwerken of delen ervanen waarvan de prestaties gevolgen hebben voor de prestaties van het bouwwerk met betrekking tot de fundamentele eisen voor bouwwerken


    Breakdown structuren (#BS)

    Het in Nederland veelvuldig gebruikte woord voor een breakdown structure is "boom" waarin een decompositie van zaken kan worden gevisualiseerd. Naast de bekende bomen in een SE omgeving kan men naar believen bomen toevoegen waardoor er een lijst onstaat als hierna:

    1. SBS, de objectenboom; de decompensitie van de gemodelleerde objecten;
    2. FBS, de functieboom; de decompositie van de doel en doelstellingseisen, wat moet het kunnen;
    3. RBS, requirements, de eisenboom, de eisen, functioneel, prestatie en beeldgericht;
    4. PBS, de productenboom of middelenboom (functievuller) als onderdeel van de technische oplossing;
    5. WBS, de activiteitenboom; de activiteiten of taken (arbeid) als onderdeel van de technische oplossing;
    6. OBS, de organisatiestructuur, voor sortering van zaken naar werkpaketten en technieken/ambachten/werksoorten (onderaannemers);
    7. CBS, de kostenstructuur, ten behoeve van de projectkosten;
    8. RiskBS, de risicostructuur, het risico;
    9. Arbo risicostructuur, RI&E;
    10. Middelenstructuur, wie werken er aan het project, de resources;
    11. PSBS, de projectstadia of fasenboom (zelf bedacht), de benoeming van een fase binnen een proces in combinatie met het detailniveau, Level of Information Need;
    12. CBS, de conditieboom, technische conditie (conditiescore) en niet technische conditie (reinheid en beeldkwaliteit);
    13. TBS, de testboom en toetsboom, de gekozen (meet)methode en het meetgerei, het verifieren of testen en valideren of toetsen.


    In het OSS kunnen bomen onderling worden gekoppeld, daar waar nodig of aangereikt. Door bomen onderling te koppelen onstaan er triples, hiermee wordt metadata kennisdata, als onderdeel van LinkedData. Het totaal van onderlinge koppelingen noemen we een spin.


    BREEAM

    BREEAM staat voor "Building Research Establishment Environmental Assessment Method". Het is een beoordelingsmethode en certificeringssysteem dat wordt gebruikt om de duurzaamheid van gebouwen te beoordelen en te certificeren. BREEAM is ontwikkeld door het Building Research Establishment (BRE) in het Verenigd Koninkrijk en wordt wereldwijd erkend als een van de meest vooraanstaande beoordelingsmethoden voor duurzaam bouwen. De BREEAM-NL methode is specifiek gericht op de Nederlandse wet- en regelgeving, praktijkrichtlijnen en bouwpraktijk en kan zowel bij nieuwbouw als bij renovatie worden aangewend. Dutch Green Building Council (DGBC) is een onafhankelijke stichting die het BREEAM-NL duurzaamheidkeurmerk beheert voor Nederlandse gebouwen en gebieden.

    Het doel, de functie, van BREEAM is zoals gezegd om de duurzaamheid van gebouwen te beoordelen aan de hand van verschillende criteria, waaronder energiegebruik, watergebruik, materialen, afvalbeheer, ecologie, vervuiling, transport, gezondheid en welzijn, en managementprocessen, waaraan prestatiecriteria zijn gekoppeld. Gebouwen worden beoordeeld op basis van hun prestaties in deze verschillende categorieën, waarbij punten worden toegekend voor het voldoen aan bepaalde duurzaamheidsstandaarden. BREEAM-certificering wordt toegekend op verschillende niveaus, variërend van "Pass" tot "Outstanding", afhankelijk van de totale prestatiescore behaald door het gebouw tijdens de beoordeling. Het certificeringsproces omvat een onafhankelijke beoordeling door gekwalificeerde BREEAM-assessoren die de prestaties van het gebouw evalueren en een rapport opstellen.

    BREEAM-certificering wordt wereldwijd gebruikt en heeft een aanzienlijke impact gehad op de manier waarop gebouwen worden ontworpen, gebouwd en beheerd. Het stimuleert de implementatie van duurzame bouwpraktijken en draagt bij aan het verminderen van de ecologische voetafdruk van gebouwen en het bevorderen van een gezondere leefomgeving.


    Binnen het BREEAM-certificeringssysteem worden gebouwen beoordeeld op verschillende niveaus op het gebied van duurzaamheid. Hieronder volgt een uitleg van de verschillende BREEAM-niveaus:

    1. Pass (Pass): Dit prestatieniveau geeft aan dat het gebouw voldoet aan de basisvereisten voor duurzaamheid volgens BREEAM. Het voldoet aan een minimumniveau van de prestatie-eisen van duurzaamheid, maar heeft mogelijk nog ruimte voor verbetering.

    2. Good (Goed): Gebouwen op dit niveau tonen een bovengemiddeld prestatieniveau van duurzaamheid. Ze hebben significante inspanningen geleverd om te voldoen aan de duurzaamheidsstandaarden van BREEAM en hebben mogelijk verschillende duurzame kenmerken en praktijken geïmplementeerd.

    3. Very Good (Zeer goed): Gebouwen op dit prestatieniveau laten een aanzienlijk hoger prestatieniveau van duurzaamheid zien. Ze hebben uitgebreide maatregelen genomen om de impact op het milieu te verminderen en hebben mogelijk geavanceerde duurzame technologieën en ontwerpprincipes geïntegreerd.

    4. Excellent (Uitstekend): Dit prestatieniveau vertegenwoordigt een uitzonderlijk hoog niveau van duurzaamheid. Gebouwen op dit niveau zijn voorlopers op het gebied van duurzaam bouwen en hebben mogelijk innovatieve oplossingen geïmplementeerd die verder gaan dan de standaardpraktijken.

    5. Outstanding (Uitmuntend): Dit is het hoogste prestatieniveau van BREEAM-certificering en vertegenwoordigt buitengewone prestaties op het gebied van duurzaamheid. Gebouwen op dit niveau zijn toonaangevend in de industrie en hebben mogelijk een aanzienlijke positieve impact op het milieu en de maatschappij.

    De niveaus zijn gebaseerd op het totale aantal punten dat een gebouw behaalt tijdens de BREEAM-beoordeling. Hoe hoger het aantal behaalde punten, hoe hoger het niveau van certificering. BREEAM-certificeringen op hogere prestatieniveaus vereisen doorgaans meer inspanningen, investeringen en toewijding aan duurzame praktijken van de kant van de gebouweigenaar en het ontwerpteam.


    Vastgoedprojecten, het gerealiseerde gebouw en bouwkavel beoordeel je in de ontwikkel- en opleverfasen, op basis van onderwerpen in de volgende categorieën:


    1. Management
    2. Gezondheid
    3. Energie
    4. Transport
    5. Water
    6. Materialen
    7. Afval
    8. Landgebruik en ecologie
    9. Vervuiling


    Het systeem kent 3 typen nieuwbouw, de scoop:

    1. Volledig gebouw;
    2. Casco;
    3. Casco en centrale installaties.


    Een volledige beoordeling omvat in ieder geval de onderdelen uit tabel 1 van NL/SfB, de zogenaamde elementenmethode, welke in Nederland de meest gebruikte methode voor de classificatie van elementen in de bouwsector is. Een vinkje in de kolom ‘Volledig gebouw’ betekent dat het element binnen het algehele kader (scope) van BREEAM-NL Nieuwbouw valt. Beoordeel je een project volgens type ‘volledig gebouw’, dan zijn alle criteria in deze scope in de te gebruiken Beoordelingsrichtlijn "BREEAM-NL Nieuwbouw 2020" van toepassing. 


    Een doel of doelstelling (functie-eis) is bijvoorbeeld:


    Het stimuleren van bouwprojecten in de nabijheid van lokale voorzieningen waardoor files en transport gerelateerde emissies worden gereduceerd.


    De verifieerbare criteria (prestatie-eisen) om hieraan kunnen voldoen zijn:


    1. Er zijn tenminste drie basisvoorzieningen aanwezig binnen een loopafstand van 500 meter vanaf de hoofdingang van het gebouw.
    2. Minimaal één van de overige voorzieningen is aanwezig binnen een loopafstand van 500 meter vanaf de hoofdingang
      van het gebouw.


    BREEAM kan dus in het OSS zowel terugkomen in de:

    1. Objecten boom (SBS) zijnde de de hoofdingang van het gebouw (object gekoppeld aan de Locatieparameters);
    2. Functieboom (FBS), de functie(s), zoals meegenomen in het ontwerp, desgewenst geprioriteerd (MoSCoW), door wie en het gewicht;
    3. Eisenboom (RBS), de prestatie-eisen waaraan het  moet voldoen tijdens de oplevering, desgewenst geprioriteerd (MoSCoW), door wie en het gewicht;
    4. Risicoboom, optioneel, met generiek risico's en arbotechnische risico, door wie.
    5. Technische Oplossing(en), gefaseerd (met welk detailniveau) vervat in een technische omschrijving (detailniveau) tot een (materiegerichte) werkbeschrijving (detailniveau) alsmede parallel (iteratief) in een 3D-model. Desgewenst geprioriteerd (MoSCoW), door wie en het gewicht;
    6. Bouwdelen of productenboom (PBS). Desgewenst geprioriteerd (MoSCoW), door wie en het gewicht;
    7. Conditieboom, optioneel, de staat van de uitgevoerde of nog uit te voeren technische Oplossing
    8. Verificatie- en validatie, met name door de BREEAM assessoren, door wie en het gewicht.


    BRK

    De Basisregistratie Kadaster (BRK) bevat informatie over percelen, eigendom, hypotheken, beperkte rechten (zoals recht van erfpacht, opstal en vruchtgebruik) en leidingnetwerken. Daarnaast staan er kadastrale kaarten in met perceel, perceelnummer, oppervlakte, kadastrale grens en de grenzen van het rijk, de provincies en gemeenten. Deze gegevens kunnen onderdeel zijn (attributen en propery) van de IFC entiteiten IfcBuilding, IfcSite en IfcProject.

    Complex of Bouwcomplex

    NEN 2660

    Gebouwen en terreinen. Een bouweenheid van een groep panden, die met elkaar "verbonden" zijn. Verzameling van bij elkaar behorende (bouw)werken. Hiermee worden verzamelingen van bij elkaar behorende (bouw)werken aangeduid, waarbij deze verzameling een specifieke functie vervult, bijvoorbeeld luchthaven, snelweg, hoogspanningsnet of winkelcentrum.


    Tabel 0.0 Planologische Gebieden (NL/Sfb).


    NEN 2767

    Een complex of traject bestaat uit een verzameling samenhangende beheerobjecten die elkaar ondersteunen om een gezamenlijke functie te vervullen of in logische zin samen horen bij elkaar. 


    Conditie (NEN 2767)

    De technische kwaliteit of toestand van het object "bouwdeel" met/of "componenten". Een conditiemeting kan, doch niet per definitie, conform de NEN 2767 op een "objectieve" en eenduidige manier worden vastgelegd. De NEN 2767 maakt onderscheid in:


    Conditiescore

    De conditiescore komt tot stand door "samenvoeging" van de drie aspecten, Ernst, Intensiteit en Omvang (EIO)


    Conditiescore overall

    1. Uitstekende conditie, fabriekskwaliteit, een puntgaaf bouwdeel;
    2. Goede conditie, bv hergebruikte materialen;
    3. Redelijke conditie;
    4. Matige conditie;
    5. Slechte conditie;
    6. Zeer slechte conditie.


    Ernst van het gebrek:

    1. Ernstig gebrek, hebben vaak ook een direct effect op de functionaliteit van het bouwkundig element oftewel het doel van het bouwdeel als ooit gekozen technische oplossing;
    2. Serieus gebrek, zorgen voor een degradatie van het element. In de meeste gevallen is het functioneren niet of nauwelijks aangetast;
    3. Gering gebrek, hebben geen negatief effect op het functioneren van het pand. Ze zijn alleen esthetisch. Voorbeelden van geringe gebreken zijn graffiti en vergroening.


    Intensiteit van het gebrek:

    1. Beginstadium;
    2. Gevorderd stadium;
    3. Eindstadium, Als het gebrek nauwelijks meer kan verslechteren.


    Omvang van het gebrek:

    1. Incidenteel (<2%);
    2. Plaatselijk (2-10%);
    3. Regelmatig (10-30%);
    4. Aanzienlijk (30-60%);
    5. Algemeen (>60%).


    Om de omvang van het gebrek te bepalen kijkt men naar het percentage wat is aangetast is door het gebrek. Aan de hand van dit percentage plaatsen we de omvang in een van de bovengenoemde 5 niveaus:


    Bepaling conditiescore

    Als het gebrek ernstig is, zich bevind in het eindstadium, maar echter een heel klein deel van het bouwdeel inneemt en het overige deel vertoont geen gebreken (dus incidenteel), krijgt dus de conditiescore 2.





















    Bij de bepaling van de technische conditie van een woning of woningcomplex wordt vaak de conditie van alle bouwdelen in de berekening meegenomen. Dit geeft over het algemeen een te positief beeld over de ontwikkeling van de onderhoudstoestand doordat veel bouwdelen, met name de constructies en fundering, langdurig in een uitstekende conditie blijven. Beter is naast de algehele conditie van een woning of woningcomplex ook een “onderhoudsconditie” te bepalen op een selectie van bouwdelen die binnen een bepaalde periode (bijvoorbeeld 50 jaar) ook echt onderhoud behoeven. Men noemt dit de onderhoudsbehoevende bouwdelen.


    IFC kent diverse entiteiten aangaande de conditie


    IfcCondition vertegenwoordigt de fysieke of functionele toestand van een object. Het kan verschillende toestanden beschrijven, zoals nieuw, gebruikt, beschadigd of onderhoud nodig. Deze informatie is waardevol voor het beheer van de levenscyclus van objecten, van hun prestaties en het plannen van onderhouds- of renovatieactiviteiten. IfcCondition kan worden gebruikt om de huidige staat van een bouwdeel aan te geven, zoals een stenen muur of een houten balk, of het in goede staat verkeert, reparatie nodig heeft, of vervanging vereist. Deze informatie kan vervolgens worden gebruikt door belanghebbenden gedurende de levenscyclus van het gebouw voor besluitvormingsdoeleinden.


    "IfcBuildingCondition" is een specifieke entiteit binnen het Industry Foundation Classes (IFC) schema en vertegenwoordigt de conditie of staat van een gebouw als geheel, in plaats van individuele bouwelementen.


    IfcConditionCriterium

    Wordt gebruikt om de criteria te definiëren die worden gebruikt om de toestand of conditie van een bouwelement, een bouwdeel feitenlijk, te beoordelen. Deze criteria kunnen variëren afhankelijk van het type element en het beoogde gebruik. Ze kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op structurele integriteit (conditeiscore) , esthetische aspecten (beeldkwaliteit), functionele prestaties, enzovoorts.


    In het OSS zijn meerdere kolommen ingeruimd voor de:


    1. Conditiecore op onderhoudsbehoevende bouwdelen conform de NEN 2767, (ernst, intensiteit en omvang);
    2. Reinheid (schoonmaakbranche);
    3. Beeldkwaliteit (CROW).


    Dit is met name bij de gebruiksfase handig om dit bij een opname van een object in te vullen om daarna de gewenste ingreep, de technische oplossing, eenduidiger te bepalen. Een MJOP in aanzet. Bij restauratie en instandhouding kan dan de restauratieladder de basis zijn voor de technische oplossing, de ingreep of taak als repareren, conserveren enz.

    Component of Bouwdeelcomponent

    Een component of bouwdeelcomponent is een fysiek en gematerialiseerd onderdeel van een bouwdeel, zoals metalen hang- en sluitwerk bij een houten deur. Bij renovatie (klein onderhoud) kan het aanpakken van bouwdeelcomponenten vanuit financiele en organisatorische overwegingen (fasering) bewonersvriendelijker kan zijn dan complete ruimtes of woningen aanpakken (planmatig onderhoud).


    Configuratiemanagement
    Zorgt dat er continu een actueel en kloppend beeld is van de gemaakte afspraken. Dit door het expliciet maken, vastleggen en bewaken van de geldende stand van zaken en het vastleggen van samen overeengekomen wijzigingen daarin. Daardoor hebben betrokkenen zicht op de
    actuele scope van het complete systeem.

    Configuratiemanagement is een discipline binnen projectbeheer die zich richt op het systematisch beheren van de wijzigingen aan de configuratie van een object gedurende de levenscyclus ervan. Het omvat het identificeren, controleren, documenteren en beheren van wijzigingen aan de configuratie om ervoor te zorgen dat het voldoet aan de gestelde eisen en specificaties. Enkele belangrijke aspecten van configuratiemanagement zijn:

    1. Configuratie-identificatie: Het proces van het identificeren en vastleggen van de configuratie-items (CI's), oftewel de onderdelen van het product of systeem die moeten worden beheerd, inclusief hun versies en relaties.

    2. Configuratiebeheerplanning: Het ontwikkelen van een plan dat de procedures en richtlijnen bevat voor het uitvoeren van configuratiemanagementactiviteiten gedurende de levenscyclus van het product of systeem.

    3. Configuratiebeheerregistratie: Het bijhouden van een configuratiebeheerdatabase of register waarin alle configuratie-items en hun kenmerken worden gedocumenteerd, inclusief wijzigingsaanvragen en -goedkeuringen.

    4. Wijzigingsbeheer: Het proces van het beoordelen, beheren en implementeren van wijzigingsaanvragen voor de configuratie-items, inclusief het evalueren van de impact van wijzigingen en het vaststellen van wijzigingsbeleid.

    5. Configuratie-audits en -reviews: Het uitvoeren van periodieke controles en evaluaties van de configuratie om ervoor te zorgen dat deze consistent is met de specificaties en vereisten, en om naleving van het configuratiebeheerproces te waarborgen.

    6. Versiebeheer: Het bijhouden van de verschillende versies van configuratie-items en het beheren van wijzigingen tussen deze versies, inclusief het labelen, controleren en archiveren van versies.

    7. Statusrapportage en -beheer: Het verstrekken van regelmatige updates over de status van configuratie-items en wijzigingsaanvragen aan belanghebbenden, en het beheren van de goedkeurings- en implementatiestatus van wijzigingen.

    Een configuratiemanager is verantwoordelijk voor het coördineren en uitvoeren van configuratiemanagementactiviteiten binnen een organisatie of project. Deze persoon zorgt ervoor dat het configuratiebeheerproces effectief wordt geïmplementeerd en dat wijzigingen aan de configuratie op een gecontroleerde en geautoriseerde manier worden doorgevoerd.


    CPR fundamentele eisen en essentiele kenmerken (functionele- en prestatie-eisen)

    CPR staat voor "Construction Products Regulation" (Verordening Bouwproducten) en heeft als doel om de prestaties van bouwproducten te harmoniseren en te verbeteren binnen de Europese Unie (EU). De CPR omvat een reeks fundamentele eisen die bouwproducten moeten naleven om ervoor te zorgen dat ze geschikt zijn voor hun beoogde gebruik en bijdragen aan een veilige en duurzame gebouwde omgeving, zijnde de volgens de functionele eisen op productniveau:

    1. Mechanische weerstand en stabiliteit: Bouwproducten moeten voldoende sterkte en stabiliteit bieden om de belastingen waaraan ze tijdens het gebruik kunnen worden blootgesteld, te weerstaan. Dit omvat bijvoorbeeld eisen met betrekking tot de structurele integriteit van dragende constructies;

    2. Brandveiligheid: Bouwproducten moeten bijdragen aan de preventie van brand en de verspreiding ervan binnen gebouwen beperken. Dit omvat bijvoorbeeld eisen met betrekking tot brandklassen en brandwerendheid van bouwproducten;

    3. Hygiëne, gezondheid en milieu: Bouwproducten mogen geen schadelijke stoffen uitstoten die de gezondheid van mensen kunnen schaden of het milieu kunnen vervuilen. Dit omvat bijvoorbeeld eisen met betrekking tot de emissie van vluchtige organische stoffen (VOS) en andere schadelijke stoffen;

    4. Veiligheid en toegankelijkheid in gebruik: Bouwproducten moeten veilig zijn voor gebruik en mogen geen onnodig risico vormen voor de gezondheid of veiligheid van mensen die ze gebruiken. Dit omvat bijvoorbeeld eisen met betrekking tot slipweerstand van vloeren en trappen, evenals toegankelijkheid voor mensen met een handicap;

    5. Bescherming tegen geluidshinder: Bouwproducten moeten bijdragen aan het verminderen van geluidshinder binnen gebouwen en het bieden van een comfortabele leef- en werkomgeving. Dit omvat bijvoorbeeld eisen met betrekking tot geluidsisolatie tussen ruimtes;

    6. Energie-efficiëntie en warmtebehoud: Bouwproducten moeten bijdragen aan het verminderen van energieverbruik en het verbeteren van de energie-efficiëntie van gebouwen. Dit omvat bijvoorbeeld eisen met betrekking tot thermische isolatie van gebouwschillen als wand, vloer en dak;

    7. Duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.


    Om aan de hiervoor genoemde fundamentele functionele eisen voor bouwwerken te kunnen voldoen, moeten bouwproducten een zekere prestatie hebben op bepaalde producteigenschappen, de zogenaamde "essentiële kenmerken". Deze essentiële kenmerken worden vastgesteld op basis van de beoogde toepassing en prestaties van het bouwproduct en zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat het product geschikt is voor het beoogde gebruik en voldoet aan de relevante wettelijke vereisten.

    Enkele voorbeelden van essentiële kenmerken kunnen zijn:

    1. Brandwerendheid: Het vermogen van het bouwproduct om de verspreiding van brand te vertragen of te voorkomen, zoals gespecificeerd in de relevante Europese normen voor brandclassificatie.

    2. Mechanische sterkte: De capaciteit van het bouwproduct om de vereiste mechanische belastingen te weerstaan zonder structurele mislukking, zoals bepaald door tests voor mechanische weerstand en stabiliteit.

    3. Thermische isolatie: De mate waarin het bouwproduct warmteoverdracht beperkt, gemeten door thermische geleidbaarheid of isolatiewaarden, om de energie-efficiëntie van gebouwen te verbeteren.

    4. Waterdichtheid: De weerstand van het bouwproduct tegen binnendringend water, beoordeeld door middel van waterdichtheidstests volgens de relevante normen.

    5. Geluidsisolatie: De mate waarin het bouwproduct geluidsoverdracht tussen ruimtes beperkt, beoordeeld door geluidsisolatietests volgens de relevante normen.

    6. Duurzaamheid: De levensduur van het bouwproduct en het vermogen om te weerstaan aan de invloeden van weersomstandigheden, chemische belasting, veroudering en andere degradatieprocessen.

    7. Milieuprestaties: De impact van het bouwproduct op het milieu gedurende de gehele levenscyclus, inclusief grondstoffen, productie, gebruik en verwijdering, gemeten aan de hand van milieu-impactbeoordelingen.


    Het is belangrijk dat fabrikanten, of zij die de verantwoordelijkheid hiervan overnemen zoals importeurs, van bouwproducten de relevante essentiële kenmerken identificeren en aantonen dat hun bouwproducten aan deze kenmerken voldoen door middel van een prestatieverklaring de zogenaamde Declaration of Performance (DoP). Dit stelt bouwprofessionals in staat om weloverwogen beslissingen te nemen bij het selecteren en gebruiken van Bouwproducten.


    In het OSS kunnen op alle object niveaus, dus niet op productniveau, functionele eisen worden gesteld (FBS) alsmede daaraan gekoppelde prestatie-eisen (RBS).


    Tip. Laat de DOP, de "ingevulde" Annex ZA van een productfamilie terugkomen in de IFC property-set.

    CPV code

    De CPV-code staat voor "Common Procurement Vocabulary" en wordt gebruikt als gestandaardiseerd classificatiesysteem voor de aanduiding van Werken, Diensten en Leveringen bij inkopen/aanbestedingen binnen de Europese Unie (EU). De CPV-code bestaat uit een 8-cijferige numerieke code voor de categorie of het type inkoop. Het systeem is gestructureerd in een hiërarchie van categorieën, waarbij elke categorie is onderverdeeld in subcategorieën voor meer gedetailleerde specificatie.

    Bijvoorbeeld, een CPV-code kan er als volgt uitzien:

    1. Hoofdcategorie: 45000000 - Bouwwerkzaamheden
    2. Subcategorie: 45200000 - Compleet of gedeeltelijk bouwen en verbouwen van woningen en gebouwen
    3. Sub-subcategorie: 45210000 - Bouwen van woningen en gebouwen


    De categorie "diensten" verwijst naar een breed scala aan activiteiten. Diensten kunnen variëren van professionele adviesdiensten tot onderhoudsdiensten en logististieke diensten.

    Voorbeeld van een CPV-code voor onderhoudsdiensten:

    CPV-code: 50000000-5 Beschrijving: Reparatie- en onderhoudsdiensten. Deze CPV-code vertegenwoordigt een brede categorie van reparatie- en onderhoudsdiensten. Het eerste deel van de code, "50000000", verwijst naar de hoofdcategorie van diensten voor reparatie en onderhoud. Deze categorie omvat een breed scala aan onderhoudsdiensten, variërend van gebouwonderhoud tot voertuigonderhoud en meer. Het tweede deel van de code, "-5", is een subcategorie die verdere specificaties toevoegt. In dit geval wordt het getal "5" gebruikt om diensten voor reparatie en onderhoud aan te duiden.


    In het OSS kan De CPV code meegenomen worden bij de algemene projectinfomatie en kan zodoende ook het filter zijn voor het getoonde dashboard, namelijk voor:


    1. werken:
      1. nieuwbouw;
      2. bestaande bouw;
      3. restauratie en instandhouding
    2. diensten;
    3. leveringen.


    Decompositie

    Een decompositie (ook wel ontleding) is een hiërarchische verzameling van onderdelen die zijn ontstaan door het uiteenrafelen van een systeem tot begrijpbare en kenmerkende onderdelen. Decompositie kan zowel bestaan uit:

    1. een hiërarchische lijst van onderdelen die feitelijk tot het systeem behoren;
    2. samenhangende onderdelen zonder dat deze een feitelijke verbinding hebben.

    Bijvoorbeeld een warmwaterverwarmingsinstallatie kan worden gedecomponeerd in ketel, leiding en verwarmingslichaam, of uit welke taken een bepaalde activiteit bestaat, bijvoorbeeld draadtrekken en lasverbindingen maken zijn handelingen binnen de activiteit van het aanleggen van elektrische leidingen. Een decompositie van objecten noemen we een objectenboom (SBS), die weer gekoppeld kan zijn aan het 3D model, de geometrie.

    Hier zijn enkele van de belangrijkste "bomen":

    1. Object Tree (Objectenboom): Een object tree toont de hiërarchische structuur van objecten binnen een systeem. Het begint vaak met het hele systeem op het hoogste niveau, het complex of gebouwtype, en wordt vervolgens opgedeeld in steeds kleinere onderdelen op lagere niveaus, tot de bouwstof;

    2. Function Tree (Functieboom): Een function tree toont de hiërarchische structuur van het doel of de doelstellingen die door het systeem moeten worden uitgevoerd. Het begint vaak met de hoofdfuncties, zoals in de considerans opgenomen, het algemeen gebruik of doel, van het systeem (gebouw) op het hoogste niveau en wordt vervolgens opgedeeld in meer gedetailleerde subfuncties, het specifieke gebruik.
    3. Requirement Tree (Eisenboom): Een requirement tree (Eisenboom) van een systeem in een hiërarchische structuur van de prestatie-eisen. Het kan helpen om de onderlinge afhankelijkheden tussen verschillende vereisten te visualiseren en te beheren.
    4. Interface Control Tree (ICT): Een ICT organiseert de interfaces tussen verschillende subsystemen en componenten van het systeem. Het helpt bij het identificeren en beheren van de interfaces en communicatiekanalen tussen verschillende delen van het systeem.

    5. Product Breakdown Structure (bouwstof- of productenboom) (PBS): Een PBS toont een hiërarchische weergave van de fysieke en gematerialiseerde zaken van een systeem. Het is een soort shoppinglist. Het kan worden gebruikt om de structuur van het product te visualiseren en te beheren, inclusief de onderdelen, assemblages en subassemblages.

    6. Work Breakdown Structure (WBS) (Activiteitenboom): Een WBS organiseert het werk dat moet worden uitgevoerd om een project te voltooien in een hiërarchische structuur. Het is een soort to-do-list. Het begint vaak met het project als geheel op het hoogste niveau en wordt vervolgens opgedeeld in steeds kleinere taken en activiteiten op lagere niveaus. Belangrijk is de rangschikking op basis van tijd en plaats


    De voorgenoemde bomen (verticale kolommen) vormen in het OSS een belangrijk onderdeel van het gekozen dashboard van werken. Ze zijn naar keuze in te voegen in een volgorde die overeenkomt het type overeenkomst, de fase en de werkvolgorde daarin. Overige telkens terugkerende bomen zijn de test- en toetsboom.

    Derden

    Enerzijds contractuele partijen van de opdrachtgever die niet binnen dezelfde uitvoeringsduur, zoals bij nevenaannemers wel het geval is, een werk, dienst of levering doen richting deze opdrachtgever. Hierbij kan men denken aan het hovenierswerk na de primaire oplevering of het funderingswerk voorafgaand. Deze partijen kunnen dan wel meegenomen worden in het gehele "specificatiedocument" doch daarna eruit gefilterd worden door middel van een sortercode. Anderzijds is ook de betekenis van het begrip derden de partijen waarmee de opdrachtgever geen contractuele relatie heeft zoals omwonenden.


    Eigenaren VvE

    Partijen die gezamelijk eigenaar zijn van object, zoals bij een Vereniging van Eigenaren bij een appartementencomplex met gemengd eigendom. Op deze wijze kunnen items, vaak gemeeschappelijke zaken, naar rato, bv conform een splitsingsakte, verdeeld of toebedeeld worden.

    In een Vereniging van Eigenaren (VvE) zijn de eigenaren de leden van de VvE. Elke eigenaar van een appartement of een andere unit in het gebouw is automatisch lid van de VvE. De eigenaren zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke delen van het gebouw, zoals de hal, het dak, de lift, eventuele gemeenschappelijke tuinen, parkeerplaatsen, enzovoort. Daarnaast kunnen er ook commissies worden gevormd binnen de VvE, bijvoorbeeld een technische commissie voor onderhoudszaken, een financiële commissie voor budgettering en financieel beheer, of een activiteitencommissie voor sociale activiteiten in het gebouw. Kortom, de eigenaren zijn de kernleden van de VvE en hebben inspraak in belangrijke beslissingen met betrekking tot het beheer en onderhoud van het gebouw.

    In het OSS kunnen deze ook opgenomen kunnen worden als entiteit Actor, in de Actor kolom, IfcActor.


    Eigenschap of Property

    IFC Building Smart is een (database) structuur waarin ieder object een record is of entiteit (wat voor soort object het is) waarvan er nu (2024) minimaal 776 zijn. In een  record wordt ook de klasse of type van de Entiteit aangegeven, de TypeEnumeration. Dit is om een onderscheid te kunnen maken binnen een entiteit. IFC voorziet in een set Enumerations per entity. Zo kan aan de entiteit IfcCovering de TypeEnummerations FLOORING of CEILING worden "gehangen".

    Bij een entiteit horen attributen met properties (eigenschappen), waarvan er een aantal, in eigenschap sets (property-sets), zijn voorgeselecteerd. Daar deze eigenschapsets vaker terugkomen, kunnen ze worden opgenomen in zgn. "eigenschapsets", gelabeld met het voorvoegsel Pset_. Standaard worden objecten niet gekoppeld met individuele eigenschappen maar met sets. De extentie van een objectbeschrijving is *.ifc, een ASCII formaat. Ieder object in IFC bestaat uit een:

    1. Entiteitsnaam (Entity), daar waar het object idealiter geexporteerd dient te worden;
    2. klasse of type (TypeEnumeration);
    3. Eigenschappen of property, vaak via sets (propertysets/parametersets) gekoppeld;
    4. Eigenschap waarden.


    In de Eigenschapsets kunnen de volgende datatypen zijn meegenomen:

    • fcGeheel getal:
      • Definitie: Gegevenstype dat gehele getallen zonder decimalen vertegenwoordigt.
      • Voorbeeld: Kan worden gebruikt om het aantal verdiepingen in een gebouw op te geven.
    • IfcReal:
      • Definitie: Gegevenstype dat reële getallen vertegenwoordigt, inclusief decimalen.
      • Voorbeeld: Wordt gebruikt om precieze afmetingen van constructie-elementen te specificeren, zoals wandlengtes.
    • IfcBoolean:
      • Definitie: Gegevenstype dat logische waarden vertegenwoordigt, zoals waar/onwaar.
      • Voorbeeld: Kan worden gebruikt om een ​​status te bepalen, bijvoorbeeld of deuren gesloten (true) of open (false) zijn.
    • IfcLogisch:
      • Definitie: gegevenstype dat logische waarden vertegenwoordigt, vergelijkbaar met IfcBoolean.
      • Voorbeeld: Toegepast om logische voorwaarden in projectspecificaties weer te geven, bijvoorbeeld of een materiaal brandwerend is (waar) of niet (onwaar).
    • IfcIdentificatie:
      • Definitie: Gegevenstype dat tekenreeksen vertegenwoordigt die worden gebruikt voor identificatiedoeleinden.
      • Voorbeeld: Kan worden gebruikt om unieke identificatiegegevens aan individuele constructie-elementen toe te kennen.
    • IfcLabel:
      • Definitie: Gegevenstype dat tekenreeksen vertegenwoordigt die worden gebruikt voor naamgevingsdoeleinden.
      • Voorbeeld: wordt gebruikt om leesbare namen aan elementen te geven, bijvoorbeeld ‘Hoofdmuur’.
    • IfcText:
      • Definitie: Gegevenstype dat tekenreeksen vertegenwoordigt die voor beschrijvende doeleinden worden gebruikt.
      • Voorbeeld: Wordt gebruikt om aanvullende beschrijvende informatie te geven over een specifiek bouwelement.
    • IfcDateTime:
      • Definitie: Gegevenstype dat datum en tijd vertegenwoordigt.
      • Voorbeeld: Wordt gebruikt om het tijdstip te bepalen waarop een specifieke constructiemeting is uitgevoerd.
    • IfcDatum:
      • Definitie: Gegevenstype dat datuminformatie vertegenwoordigt.
      • Voorbeeld: Kan gebruikt worden om de startdatum van de bouw van een bepaald object op te geven.
    • IfcTijd:
      • Definitie: Gegevenstype dat tijdinformatie vertegenwoordigt.
      • Voorbeeld: Wordt gebruikt om de duur van een specifieke bouwfase te bepalen, bijvoorbeeld de tijd die nodig is om de fundering te voltooien.
    • IfcDuur:
      • Definitie: Gegevenstype dat een tijdsperiode of een tijdsinterval vertegenwoordigt.
      • Voorbeeld: Toegepast om de duur van het gehele bouwproject te specificeren.
    • IfcTijdstempel:
      • Definitie: Gegevenstype dat een tijdstip vertegenwoordigt, geteld in seconden sinds 1970.
      • Voorbeeld: Kan worden gebruikt om de datum en tijd van de laatste update van het 3D-model weer te geven.
    • IfcURIReferentie:
      • Definitie: Gegevenstype dat een unieke tekenreeks vertegenwoordigt die een logische of fysieke bron identificeert die wordt gebruikt in internettechnologieën.
      • Voorbeeld: wordt gebruikt voor het verwijzen naar externe materialen, zoals online opgeslagen technische specificaties.


    In het OSS kunnen de bouwdelen met hun gelijksoortige IFC entiteiten, in de 2e kolom naast de objectenboom (SBS) gekoppeld worden


    In het OSS kan in de kolom PBS of materiaalboom de bijbehorende IfcEntiteiten en hun attributen gekoppeld worden, dus met hun:

    1. klasse of type;
    2. eigenschappen;
    3. waarden;


    Element

    Een Element is:

    1. Aanwijsbaar deel van een beheerobject dat uitsluitend op basis van de verlangde functie wordt onderscheiden en bestaat uit één of meerdere bouwdelen, bijvoorbeeld installaties, constructies of afscheiding (NEN 2767);
    2. Abstract object met een specifieke functie, gedefinieerd zonder de aard van de technische oplossing of constructiewijze. Hiermee worden de (abstracte) onderdelen van een (bouw)werk aangeduid die uitsluitend op basis van een verlangde functie worden onderscheiden, bijvoorbeeld ruimtescheiding, draagconstructie, verlichting, verwarming, beveiliging. (NEN 2660);
    3. Fysiek onderdeel of een verzameling van fysieke onderdelen van een gebouw, gekenmerkt door het zich gedragen overeenkomstig de vereiste functionele prestatie, in het bijzonder gebruikt in de elementenmethode. (NEN 2699).
    4. De bouwstenen van een 3D-model. Ze vertegenwoordigen de echte componenten die een ontwerper aan het model toevoegt. Sommige elementen, zoals muren, ramen en balken, zijn 3D en worden in alle weergaven weergegeven. Je kunt deze elementen zien als componenten die in een gebouw bestaan (Revit);

    5. Een fysiek bestaand object dat deel uitmaakt van een faciliteit. Het kan worden gedefinieerd als een elementassemblage, een groep semantisch en topologisch verwante elementen die een hoger niveau deel uitmaken van het product. Elementen kunnen permanent zijn of slechts tijdelijk, zoals bekisting. IfcElementType definieert een lijst met algemeen gedeelde definities van eigenschappensets van een element en een optionele set productrepresentaties (IFC)



    Element of Bouwelement

    Aanwijsbaar deel van een beheerobject dat uitsluitend op basis van de verlangde functie wordt onderscheiden en bestaat uit een of meerdere bouwdelen, bijvoorbeeld installaties, constructies of afscheiding (NEN 2767)


    Elementcluster of bouwelementcluster

    Een "elementcluster" verwijst naar een groepering of cluster van elementen die samen een functionele eenheid vormen binnen een gebouw. Dit kunnen bijvoorbeeld alle elementen zijn die samen een gevel vormen zoals op 1 plaats:

    1. Binnenwandafwerking
    2. Binnenwand
    3. Spouw
    4. Spouwisolatie
    5. Buitenwand
    6. Buitenwandafwerking

    Maar ook als de gevel uit meerdere elemeten bestaat, niet op 1 plaats, zoals:

    1. Buitenwand
    2. Buitenwandopening


    Wet en regelgeving, zoals het Bbl, eist vaak functionele- en prestatie-eisen op dit niveau.


    In het Bbl wordt de gevel gedefinieerd als de buitenste begrenzing van een gebouw die de scheiding vormt tussen het binnen- en buitenmilieu. Dit omvat alle constructieve elementen die de buitenste begrenzing vormen, inclusief maar niet beperkt tot gevelmuren, gevelopeningen (zoals ramen en deuren), gevelbekleding, en eventuele andere elementen die deel uitmaken van de buitenwandconstructie.

    De gevel speelt een cruciale rol bij het bieden van bescherming tegen de buitenomgeving en het definiëren van het uiterlijk en de functie van een gebouw. Daarom stelt het Bbl verschillende eisen aan de gevel om ervoor te zorgen dat deze voldoet aan de vereisten op het gebied van onder meer brandveiligheid, thermische isolatie, geluidsisolatie en constructieve veiligheid.

    De definitie van de gevel is belangrijk omdat het de basis vormt voor de interpretatie en handhaving van de verschillende voorschriften en eisen die van toepassing zijn op dit deel van een gebouw. Het omvat alle elementen die deel uitmaken van de buitenste begrenzing van het gebouw en die van invloed zijn op de prestaties en functionaliteit ervan.


    Functionele eisen aangaande gevels in deze zijn:


    1. Gevels moeten de verspreiding van brand te voorkomen en de veiligheid van mensen in en rondom het gebouw te waarborgen.
    2. Gevels moeten energieverlies te beperken en het thermisch comfort binnen het gebouw te verbeteren.
    3. Gevels moeten ongewenste luchtlekken te voorkomen en de energie-efficiëntie van het gebouw te optimaliseren.
    4. Gevels moeten binnendringen van water en vochtproblemen voorkomen.
    5. Gevels moeten geluidsoverdracht van buiten naar binnen en omgekeerd verminderen om een comfortabel binnenklimaat te creëren.
    6. Gevels moeten de stabiliteit en integriteit van een gebouw te waarborgen onder verschillende belastingen en omstandigheden.


    Groep van elementen met bepaalde bij elkaar behorende kenmerken (NEN 2699)


    Elementvariant of bouwelementvariant (objectenboom)

    a

    a


    Entiteit

    Revit hierarchie:

    1. Categorieen, voorgedefinieerde rubrieken, niet aanpasbaar
      1. Model categories zoals:
        1. Walls

        2. Doors

        3. Floors

        4. Stairs

        5. Air Terminals

        6. Lighting Fixtures

      2. Annotation categories zoals:
        1. Text
        2. Dimensions
        3. Tags
    2. Families (elementen)is een los object
      1. system families, bevatten de onderdelen die de kern zijn van elk gebouw, zoals Vloeren, Wanden en Daken, heeft Autodesk bepaald
      2. component (loadable) families, heeft de modelleur alle vrijheid
      3. In place families
    3. Types of Familie Types (afmeting/materiaal)
    4. Instances properties
      1. Instance property, hebben alleen invloed op dit specifieke geplaatste family in het project.
      2. Type property, hebben invloed op alle plaatsingen van deze type van de family in het project.



    Families in Revit kunnen wordenvoorzien van parameters


    BuildingSmart, de beheerder van de IFC standaard, heeft in totaal 653 IFC-entiteiten gedefinieerd. Deze entiteiten kunnen in verschillende werkgebieden gebruikt worden. Als er gekeken wordt naar de bouw is dit aantal entiteiten verder beperkt. Revit ondersteund 100 IFC-classes en 33 van deze classes zijn voor bouwelementen zoals muren, deuren en kolommen. Aan de meeste Revit families wordt automatisch een IFC-entiteit gekoppeld. Bij het gebruik van generic models wordt de entiteit IfcBuildingElementProxy gebruikt, het is mogelijk dit aan te passen bij de export options in Revit. Elke IFC-entiteit heeft een aantal vaste parameters die automatisch worden meegenomen met een export, overige eigenschappen of data kunnen aan de hand van Revit parameters mee worden geëxporteerd.

    Families in Revit kunnen wordenvoorzien van parameters.

    Besturende parameters (zoals: lengte, breedte, hoogte, etc.) worden via maatlijnen en labels gekoppeld in de Family.

    Eigenschappen (Properties) worden getoond in het eigenschappenvenster (Properties Palette). In families zitten op twee niveaus diep deze eigenschappen waarop zij zich kunnen manifesteren. Er zijn eigenschappen op instantie niveau en op type niveau.

    • Instance Properties

    Instantie eigenschappen/parameters (Instance Properties) hebben alleen invloed op dit specifieke geplaatste family in het project.

    • Type Properties

    Type eigenschappen zijn bereikbaar via het knopje 'EditType'. Deze Type Properties hebben invloed op alle plaatsingen van deze type van de family in het project.

    Categories zijn de Lagen van Revit. De Revit Families zijn gekoppeld aan de Categories, zo zijn er Category Wall, Floor, Roof, etc.


    Een IFC entiteit is niet gekoppeld aan een bepaalde discipline 

    Eigenschappen die berekend kunnen worden aan de hand van de afmetingen van een entiteit zijn kwantiteit (lengte, opp., volume, gewicht enz.); Eigenschappen die niet kunnen worden berekend aan de hand van afmetingen zijn properties en moeten handmatig worden toegekend.


    Een gebouw kent al gauw meer dan 117 IFC entiteiten die ook kunnen worden voorzien van een Nl/Sfb codering. 


    Voorbeeld: wand als wall-object, tekst als text-entiteit, etc




    Afwerking is Covering

    Balk is Beam

    Deur is Door

    Funderingspaal is Pile

    Raam is Window

    ruimte is Space

    Vloer is Slab.Floor

    Wand is Wall

    Kolom is Column

    Trap is Stairs



    Elke element kan voorzien worden van een elementencodering. Eventueel kan deze elementencodering ook de basis vormen voor de omzetting naar een IFC entiteit (Type Mapping)

    ETIM

    De internationale classificatiestandaard voor de bouw- en installatiebranche, in beginsel van artikelen of bouwproducten. Een hierarchische indeling van producten in verschillende artikelklassen met selectieve producteigenschappen. Elke klasse kent diverse synoniemen waardoor het juiste product eenvoudiger kan worden gevonden.


    Functionele eis

    In het algemeen beschrijven functionele eisen "wat" het systeem moet doen, de doelstelling, terwijl prestatie-eisen specificeren "hoe goed" het systeem dat moet doen. Samen helpen functionele en prestatie-eisen om de vereisten van een systeem volledig te specificeren en te definiëren wat er moet worden bereikt om aan de verwachtingen te voldoen.

    Een functionele entiteit is vaak te herkennen aan zijn naamgeving, bijvoorbeeld: xxxSysteem, xxxVoorziening, xxxFaciliteit, 'xxxing' (eindigend op de uitgang ‘-ing’). Soms hebben ze ook een verwijzing naar een functie in hun naam, zoals bij de Bbl, de gebruiksfunctie=woonfunctie. In tegenstelling tot een technische entiteit daarentegen welke vaak een verwijzing naar een technische invulling heeft, bijvoorbeeld een nietmachine, of zijn herkenbaar aan uitgangen als xxxWerk (bouwwerk), xxxConstructie (wegconstructie) of xxxInstallatie. Ze zijn dan het resultaat van een activiteit als bouwen, construeren, installeren, repareren etc. Net als een activiteit heeft deze functie altijd de vorm van een werkwoord (geen zelfstandig naamwoord) zoals ‘verbinden’, ‘pompen’ of ‘kopen’. Een technische entiteit moet worden geïnterpreteerd als een ‘functievervuller’ of ‘oplossing’. Het vervullen van functies op een lager niveau moet leiden tot het vervullen van de
    functie op hoger niveau.


    Voorbeeld functionel eis, "Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt."


    Iedere functionele eis dient de volgende eigenschappen (SMART) te bezitten:


    1. enkelvoudig één eis per eis;
    2. traceerbaar herleidbaar naar boven- en onderliggende eisen ten behoeve van o.a. het verificatie- en validatietraject;
    3. toetsbaar er dient objectief bepaald te kunnen worden of aan de eis wordt voldaan of niet
    4. actueel, passend bij de laatste projectbaseline;
    5. eenduidig, slechts voor één uitleg vatbaar;
    6. uniek, per onderwerp/aspect komt één eis voor;
    7. positief geformuleerd niet: “niet minder dan”, maar: “tenminste”;
    8. haalbaar, eisen die niet haalbaar zijn voegen niets toe;

    9. consistent, samenhangend en volledig;

    10. noodzakelijk, de eis dient toegevoegde waarde te hebben, zonder die eis gaat er iets mis (M van MoSCoW);

    11. oplossingsvrij, een eis dient vanuit de overheid gezien, zoveel mogelijk vrij van (verwijzingen naar) technische oplossingen te zijn;

    12. van een unieke identificatie voorzien t.b.v. identificatie.


    Functionele-eisen, in de zin van:

    1. Doel-eisen, "ik wil een zwembad welke voor jong en oud te gebruiken is", de klantbehoefte (KES);
    2. Waaraan moet het voldoen, zoals vaak opgenomen in de considerens van een overeenkomst, de omschrijving van het werk op een voorblad van een bestek of Basisovereenkomst (gebaseerd op een MBO);
    3. Wat is het beoogde gebruik;
    4. Wat moet het (systeem) kunnen;
    5. Oplossingsvrij of oplossingsgericht, al naar wens opdrachtgever; innovatie is vaak geen projectdoel!
    6. Een functionele specificatie is te herkennen aan de naamgeving, bv ...systeem, ...voorziening, ...faciliteit of simpelweg het gebruik van het functie erin.


    In het OSS zou een Tool meegenomen kunnen worden waarmee men kan bepalen of een eis SMART is.


    Gebouwtype of Bouwwerk of beheerobject (objectenboom)

    Tabel 0.1 t/m 0.8 (Nl/Sfb)

    Bbl

    BREEAM

    Verzekeraars

    Funda

    IFC

    Woningwet/omgevingswet/bestemmingsplan



    Gewicht


    Het bepalen van het stemgewicht of weging van de inbreng van de actoren bij:

    1. De prioriteit van de functie en functionele en prestatie-eisen;
    2. De verifiatie en validatie.


    Dat kan door iedere actor een cijfer, bijvoorbeeld van 1 t/m 10, naar belangrijkheid toe te bedelen en de keuze daarmee te vermenigvuldigen, bijvoorbeeld:

    1. praktikant een 1;
    2. opdrachtgever een 10;
    3. architect een 8;
    4. kostendeskundige 6;
    5. facilitymanager een 8;
    6. kwaliteitsborger een 9.


    Zodoende vergroot je de spreiding en meerwaarde van de uitslag van een:

    1. MoSCoW prioriteitsmeting, met als resultaat welke van de letters, M,S,C of W naar voren zullen komen;
    2. Verificatie en validatie, waardoor de beslissing of iets is goed- of afgekeurt (en wat er tussenin zit eventueel) duidelijk naar voren komt.


    IFC

    IFC staat voor Industry Foundation Classes, het is een open bestandsformaat dat wordt gebruikt in de bouwsector voor het delen van bouwinformatie tussen verschillende softwareapplicaties. Het is een gestandaardiseerd formaat  dat is ontwikkeld door de International Organization for Standardization (ISO) om interoperabiliteit te bewerkstellig. Het maakt het mogelijk om gegevens uit te wisselen tussen verschillende softwareplatforms zonder dat er informatie verloren gaat of dat er conversieproblemen optreden. De nieuwste IFC-standaard is IFC 4.3 welke door ISO als definitieve standaard is goedgekeurd.(Londen, 4 januari 2024) en wordt beheert en onderhouden door BuildingSMART. Dit betekent dat IFC 4.3 nu internationaal wordt geaccrediteerd als de nieuwste versie van de ISO 16739-standaard International



    De belangrijkste IFC entiteiten die een relatie met specificeren hebben, zijn:

    IfcActor en IfcActorRole

    Vertegenwoordigt mensen en/of organisaties en wordt gebruikt om ate vertegenwoordigen die betrokken zijn bij het bouwproces. Dit kunnen individuen, organisaties, bedrijven, machines of andere entiteiten zijn die een rol spelen bij het ontwerp, de constructie, het beheer of de exploitatie van een gebouw of infrastructuurproject. IfcActor kan bijvoorbeeld worden gebruikt om informatie vast te leggen over aannemers, architecten, ingenieurs, leveranciers, eigenaren, enzovoort. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Betrokkene".

    IfcBuilding

    De gebouwen of blok

    Het vertegenwoordigt het hoofdstructuurelement van een bouwproject, zoals een gebouw, een complex van gebouwen of een andere bouwconstructie. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Gebouw".

    IfcBuildingElement

    Het vertegenwoordigt individuele bouwelementen binnen een gebouw, zoals muren, vloeren, deuren, ramen, trappen, enzovoort. Deze elementen kunnen worden gebruikt om het gebouw te modelleren op een gedetailleerd niveau. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Bouwelement".

    IfcBuildingStorey

    Kan informatie bevatten over de hoogte, functie en andere relevante kenmerken van de verdieping. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Bouwlaag" of "Verdieping".

    IfcElementComponent

    Een samenstelling van bouwelementen binnen een gebouw vertegenwoordigt. Het wordt gebruikt om complexe bouwelementen te beschrijven die uit meerdere onderdelen bestaan, zoals bijvoorbeeld een raam dat bestaat uit een frame, glas en scharnieren. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Elementcomponent". of Elementvariant?

    IfcElementPart

    een afzonderlijk deel van een bouwelement binnen een gebouw vertegenwoordigt. Het wordt gebruikt om complexe bouwelementen op te splitsen in individuele onderdelen voor gedetailleerde modellering en specificatie. Bijvoorbeeld, binnen een deur kan een scharnier een afzonderlijk onderdeel zijn dat wordt vertegenwoordigd door een IfcElementPart-object. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Elementonderdeel".

    IfcCondition

    Wordt gebruikt om de fysieke staat of conditie van een element (bouwdeel)? in een gebouw te beschrijven. Het kan informatie bevatten over de huidige staat van een bouwelement, zoals of het in goede staat verkeert, beschadigd is of onderhoud nodig heeft. Deze informatie is waardevol voor het beheren van gebouwen gedurende hun levenscyclus, omdat het helpt bij het plannen van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Toestand" of "Conditiestatus".

    IfcConditionCriterium

    Wordt gebruikt om de criteria te definiëren die worden gebruikt om de toestand of conditie van een bouwelement te beoordelen. Deze criteria kunnen variëren afhankelijk van het type element en het beoogde gebruik. Ze kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op structurele integriteit, esthetische aspecten, functionele prestaties, enzovoort. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Conditiescore".

    IfcGroup

    vertegenwoordigt verzamelingen van objecten met een specifiek doeleinde.

    IfcElement

    Het vertegenwoordigt individuele bouwelementen binnen een gebouw, zoals muren, vloeren, deuren, ramen, trappen, enzovoort. IfcElement wordt gebruikt om gedetailleerde informatie over deze elementen vast te leggen, zoals hun geometrie, materiaal, eigenschappen en relaties met andere elementen binnen het model. Dit concept maakt het mogelijk om een volledige en nauwkeurige digitale representatie van een gebouw te creëren, wat waardevol is voor ontwerp-, constructie- en onderhoudsprocessen. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Element".


    IfcElement en IfcMaterial twee belangrijke entiteiten die vaak met elkaar worden gekoppeld om de fysieke en materiële aspecten van bouwelementen te beschrijven.

    De koppeling tussen IfcElement en IfcMaterial wordt doorgaans tot stand gebracht door het attribuut "Material" in het IfcElement-object. Dit attribuut verwijst naar het materiaal dat wordt gebruikt voor het specifieke bouwelement. Het materiaal kan worden vertegenwoordigd door een afzonderlijk IfcMaterial-object of door een lijst van IfcMaterial-objecten als een bouwelement uit meerdere materialen bestaat.

    Bijvoorbeeld, als een IfcWall-object een bakstenen muur vertegenwoordigt, zou het attribuut "Material" verwijzen naar een IfcMaterial-object dat de eigenschappen van baksteen definieert.

    De koppeling tussen IfcElement en IfcMaterial is van cruciaal belang voor het nauwkeurig specificeren van bouwelementen binnen een BIM-model, omdat het helpt om informatie over het gebruikte materiaal vast te leggen en te beheren, wat belangrijk is voor analyses, simulaties, kostenramingen en andere aspecten van het bouwproces.


    In Ifc kent men het begrip Bouwdeel niet, feitenlijk is de Bouwdeelnaam de Elementnaam (Tabel 1 NL/SFB) met het attribuutnaam van het materiaal (NAA.K.T-naam) de Bouwdeelnaam


    IfcElementAssembly

    wordt gebruikt om complexe constructies te vertegenwoordigen die bestaan uit meerdere afzonderlijke bouwelementen. Het kan bijvoorbeeld worden gebruikt om samenstellingen te definiëren zoals een brug, een gevelpaneel of een prefab module. IfcElementAssembly biedt een gestructureerde manier om informatie vast te leggen over de relatie tussen de verschillende elementen en hun geometrie, eigenschappen en functies binnen de constructie. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Elementassemblage".

    IfcElementComponent

    wordt gebruikt om complexe bouwelementen te vertegenwoordigen die bestaan uit meerdere afzonderlijke componenten. Het kan worden gebruikt voor elementen zoals ramen, deuren, gevelelementen en andere samenstellingen waarbij verschillende onderdelen samenkomen om één functioneel element te vormen. IfcElementComponent maakt het mogelijk om informatie vast te leggen over de relatie tussen de verschillende componenten, hun eigenschappen, materialen en geometrie. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Elementcomponent".

    IfcElementComponentType

    wordt gebruikt om verschillende types van complexe bouwelementen te definiëren. Deze types kunnen worden toegepast op individuele bouwelementen binnen een BIM-model om hun eigenschappen, geometrie en gedrag te specificeren. IfcElementComponentType biedt een gestandaardiseerde manier om informatie over verschillende varianten van een bouwelement te organiseren en te beheren, zoals verschillende typen ramen, deuren, gevelelementen, enzovoort. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Type elementcomponent" of "Type bouwelementcomponent".

    IfcMaterial etc

    Het vertegenwoordigt de fysieke materialen die worden gebruikt in bouwprojecten, zoals beton, staal, hout, glas, enzovoort. IfcMaterial wordt gebruikt om gedetailleerde informatie over materialen vast te leggen, zoals hun mechanische eigenschappen, thermische eigenschappen, brandwerendheid, enzovoort. Deze informatie is essentieel voor het modelleren, analyseren en beheren van bouwprojecten in alle fasen, van ontwerp tot constructie en exploitatie. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Materiaal".

    IfcProduct

    vertegenwoordigt toepassingen in de ruimte, zoals fysieke onderdelen van een gebouw en ruimtelijke geometrie.

    wordt gebruikt om fysieke entiteiten te vertegenwoordigen die deel uitmaken van een bouwproject, zoals gebouwen, constructies, installaties, componenten en andere objecten. IfcProduct kan verschillende typen objecten omvatten, zoals IfcElement, IfcEquipment en IfcSpatialElement. Dit concept stelt gebruikers in staat om gedetailleerde informatie over individuele objecten vast te leggen en te beheren gedurende de levenscyclus van een bouwproject. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Product" of "Bouwproduct".

    IfcObject

    Het bouwwerk

    Het vertegenwoordigt een abstractie van een entiteit binnen een bouwproject. Dit kan van alles zijn, van fysieke elementen zoals muren, ramen en deuren tot abstractere concepten zoals ruimtes, zones en schema's. IfcObject fungeert als een basiselement waarvan andere specifieke objecten, zoals IfcBuildingElement, IfcSpace en IfcZone, worden afgeleid. Het is een algemene classificatie die wordt gebruikt om alle bouwgerelateerde entiteiten te omvatten. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Object" of "Bouwelement".

    IfcObjectDefinition

    beschrijft tastbare verschijningen van objecten en types, denk aan de geometrie van een muur.

    wordt gebruikt om de gemeenschappelijke kenmerken van alle objecten binnen een bouwproject vast te leggen. Het dient als een overkoepelende classificatie voor alle objecten binnen de IFC-specificatie. IfcObjectDefinition omvat objecten zoals IfcObject en IfcTypeObject en biedt een gemeenschappelijke basis voor het vastleggen van eigenschappen, relaties en gedrag van bouwelementen. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Objectdefinitie" of "Bouwelementdefinitie".

    IfcProject

    Het allerhoogste niveau

    Het vertegenwoordigt het hoofdconstruct van een bouwproject binnen een IFC-model (Industry Foundation Classes). Dit element bevat informatie over het project als geheel, inclusief zijn naam, locatie, tijdschema, kosten en andere algemene gegevens. IfcProject fungeert als een container waarin alle andere elementen en informatie binnen het project worden georganiseerd en gedefinieerd. Het biedt een raamwerk voor het beheren en structureren van alle bouwgerelateerde gegevens en processen. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Project".

    IfcSite

    Terrein

    de fysieke plaats waar een bouwwerk wordt gebouwd of staat, zoals een perceel grond. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Bouwplaats" of "Bouwlocatie".

    Het vertegenwoordigt de fysieke locatie waarop een bouwproject wordt gebouwd. Het omvat informatie over de geografische en ruimtelijke context van het project, inclusief terrein, grondslagen, infrastructuur en eventuele andere eigenschappen die relevant zijn voor de bouwplaats. IfcSite biedt een kader voor het modelleren en beheren van de context van het project, wat essentieel is voor een nauwkeurige en volledige representatie van het bouwproject binnen een BIM-model. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Bouwplaats" of "Bouwlocatie".

    IfcSpace

    Het vertegenwoordigt een ruimte binnen een gebouw, zoals een kamer, gang of een andere gedefinieerde ruimte. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Ruimte" of "Locatie".

    Het vertegenwoordigt een afgebakende ruimte binnen een gebouw, zoals kamers, gangen, hallen, enzovoort. IfcSpace wordt gebruikt om de functionele en ruimtelijke indeling van een gebouw te modelleren, inclusief de relatie tussen verschillende ruimtes en hun eigenschappen. Deze classificatie maakt gedetailleerde analyse en beheer van de binnenruimtes mogelijk tijdens alle fasen van een bouwproject, van ontwerp tot exploitatie. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Ruimte" of "Locatie".

    IfcWork

    wordt gebruikt om werkgebieden binnen een bouwproject te vertegenwoordigen. Deze werkgebieden kunnen verschillende functies hebben, zoals productiegebieden, assemblagelijnen, kantoren, magazijnen, enzovoort. IfcWork wordt gebruikt om informatie over deze werkgebieden vast te leggen, inclusief hun locatie, afmetingen, gebruik en andere relevante eigenschappen. Het helpt bij het organiseren en beheren van de ruimtelijke indeling en functies van een bouwproject. In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Werkruimte" of "Werkgebied".

    IfcZone

    Het vertegenwoordigt een logische groepering van ruimtes binnen een gebouw die een gemeenschappelijk doel dienen of een gemeenschappelijke functie delen. Deze kunnen bijvoorbeeld zones zijn zoals "kantoren", "verkoopruimte" of "productiegebied". In het Nederlands zou je het kunnen vertalen als "Zone" of "Gebied".

    IfcShareddbldgelements

    Bouwdeel

    IfcSite

    Voor vastlegging nulpunt


    Component

    In de IFC-specificatie is de term "component" algemener dan "element". Een "component" kan een abstracte term zijn die verwijst naar elk deel of onderdeel van een bouwwerk, terwijl een "element" specifieker kan zijn en verwijzen naar individuele bouwelementen zoals muren, deuren, ramen, enzovoort.

    Als we kijken naar de hiërarchie in de IFC-specificatie, zijn IfcElement-objecten over het algemeen ondergeschikt aan IfcElementComponent-objecten. Dit komt doordat een IfcElementComponent een abstractie kan zijn van een verzameling IfcElement-objecten die samen een complexer bouwelement vormen.

    Dus, in termen van hiërarchie:

    1. IfcElementComponent: Dit kan een abstracte entiteit zijn die meerdere IfcElement-objecten omvat om een complexer bouwelement te vertegenwoordigen.

    2. IfcElement: Dit zijn individuele bouwelementen binnen een bouwproject, zoals muren, deuren, ramen, enzovoort. Ze kunnen deel uitmaken van een IfcElementComponent of op zichzelf staan, afhankelijk van de complexiteit van het bouwwerk.


    Dus, IfcElementComponent komt hoger in de hiërarchie dan IfcElement.


    X-              = Elementengroep

    XX             =Element

    XX.X         =Variant Elementengroep

    XX.XX       =Variant Element (STAGG) en wordt gebruikt in de BIM-basis ILS, dit staat thans te boek als de elementenmethode

    XX.XX.X    =Sub-Elementgroep (verdere verdeling naar Functie, bv H&S bij schuiframen (31.24)

    XX.XX.XX =SubElement, verdere verdeling naar type of soort (kan materiaalnaam is voorkomen)


    Elementcluster, bv 21+31=IfcElementComponent

    Element, bv 31.24=IfcElement               Volgens ILS op 4 posities

    Elementvariant (STAGG), kozijn, draairaam 31.22=Ifc

    Bouwdeel=

    Bouwdeelcomponent=


    Je moet aan de ILS een 4-cijferig variant-elementcode koppelen maar zo fijnmazig weet je dat nog niet in de SO of VO fase.


    Gebruik elementenmethode, tabel 1 NL/Sfb, naar fase (STB)

    Pre-ontwerp en SO fase: Element en Elementclusters, voor de met name functionele specificaties. Je specificeert een object dan generiek (oplossingsvrij) zoals over de warmte-opwekking (51) de verlichting (63) of de vloeren (23).

    In de fase VO:

    kun je dit verfijnen tot het niveau van de Variant-Elementen. 

    In de fase DO kun je de Variant Elementen verrijken met de Bouwstoffen oftewel in bouwdelen



    Feitenlijk is een component in IFC een Elementgroep 

    In een bouwkostenraming (NEN 2699) kunnen kosten worden gegroepeerd op basis van elementen (cluster) zoals funderingen, structuur, gevel, dak, binnenafwerkingen, installaties, enzovoort. Deze elementgroepen bieden een gestructureerde manier om kosteninformatie te presenteren en maken het mogelijk om specifieke kostenposten te identificeren en te analyseren binnen het grotere geheel van een bouwproject.



    Een kostenraming voor een elementcluster, zoals bijvoorbeeld de gevel van een gebouw, vereist een gedetailleerde analyse van alle kostencomponenten die verband houden met dit specifieke bouwelement. Hier zijn enkele stappen die kunnen worden gevolgd bij het opstellen van een kostenraming voor een elementcluster:

    1. Identificeer alle elementen binnen het cluster: Maak een lijst van alle bouwelementen die deel uitmaken van het elementcluster. Bijvoorbeeld, voor een gevelelementcluster kunnen dit zijn: gevelbekleding, gevelopeningen, isolatie, structuur, afwerkingen, enzovoort.

    2. Bepaal de hoeveelheden: Schat de hoeveelheden van elk bouwelement binnen het cluster op basis van de ontwerptekeningen, specificaties en andere relevante documentatie.

    3. Bepaal de eenheidsprijzen: Raadpleeg marktgegevens, prijslijsten, offertes of eerdere projecten om de eenheidsprijzen te bepalen voor elk bouwelement binnen het cluster. Zorg ervoor dat de eenheidsprijzen alle kosten omvatten, zoals materialen, arbeid, apparatuur, onderaanneming, enzovoort.

    4. Bereken de totale kosten: Vermenigvuldig de hoeveelheden van elk bouwelement met de bijbehorende eenheidsprijzen om de totale kosten van elk element te berekenen. Tel vervolgens alle kosten op om de totale kosten van het elementcluster te verkrijgen.

    5. Voeg een marge toe voor onvoorziene kosten: Voeg een marge toe aan de totale kosten om onvoorziene kosten en contingenties te dekken. Deze marge kan variëren afhankelijk van de complexiteit en risico's van het project, maar wordt vaak ingesteld op een bepaald percentage van de totale kosten (bijv. 5-10%).

    6. Documenteer en rapporteer: Documenteer de kostenraming nauwkeurig en rapporteer deze aan relevante belanghebbenden, zoals de opdrachtgever, architect, projectmanager, enzovoort. Zorg ervoor dat de kostenraming duidelijk en transparant is, en alle aannames en uitgangspunten worden vermeld.

    Door deze stappen te volgen, kunt u een gedetailleerde en nauwkeurige kostenraming opstellen voor een elementcluster binnen een bouwproject, zoals bijvoorbeeld de gevel. Dit helpt bij het plannen, budgetteren en beheren van de kosten gedurende alle fasen van het bouwproces.




    Een entiteit is bv IfcMaterial

    Een atribuut is dan de naam van het materiaal


    Zie website modelleerafspraken.nl

    IFC entiteiten/entity (buildingSMART), het soort object, in relatie tot zaken in de SBS, de objectenboom, zijn:

    1. Project=IfcProject
    2. Grondstuk=IfcSite
    3. Object=IfcObject
    4. Complex=;
    5. Gebouwdeel=
    6. Gebouwtype=IfcBuilding         IfcClassification;
    7. Bouwlaag of verdieping=IfcBuildingStorey;
    8. Zone=IfcZone,

      gebieden te versterken met een specifiek doel of functie, zoals een kantoorzone, een woonzone, een servicezone;

    9. Ruimte=IfcSpace;
    10. Elementcluster=verzameling bouwelementen. IfcWall is de gevel;
    11. Element=IfcWall, IfcDoor;
    12. Elementvariant=;
    13. Bouwdeel=Binnen het IFC-framework wordt een bouwdeel gerepresenteerd als een specifiek onderdeel van een element van een gebouw;
    14. Component=Binnen het IFC-framework wordt een component meestal beschouwd als een specifiek deel van een element van een bouwconstructie.
    15. Bouwproduct=IfcProduct. Binnen het IFC-framework wordt een bouwproduct meestal gezien als een materiaal, onderdeel, element of voorwerp dat wordt gebruikt in de bouw van constructie van een gebouw of infrastructuur. IfcBuildingElement
    16. Bouwstof=IfcMaterial
    17. Taak=IfcTask


    IfcBuilding

    IfcProject

    IfcActor, (operators) vertegenwoordigt mensen en/of organisaties

    IfcObject

    IfcGroup, (groepen), vertegenwoordigt verzameling van objecten

    IfcBuildingElement

    IfcDistributionElement

    IfcElementComponent


    Property


    TypeEnumerations 

    Dit zijn de eigenschappen of property



    Nog uit te zoeken

    Aan IFC Entiteiten kun je IFC Attributen met properties koppelen

    Aan IFC Klassen kun de IFC Attributen met eigenschappen koppelen



    Het IFC-bestand

    Het Industry Foundation Classes (IFC) formaat is een zeer specifiek data-uitwisselingformaat. IFC-bestanden kunnen moeiteloos worden uitgewisseld, ongeacht welke BIM-software die jij of een andere partij gebruikt.

    • IFC-bestanden hebben een specifieke extensie (IFC), waardoor informatie op een hoog detailniveau worden opgeslagen. Dat is essentieel voor complexe bouwprojecten waarbij veel belanghebbenden betrokken zijn.
    • Door een IFC file extension te gebruiken, kunnen architecten, ingenieurs en aannemers aan hetzelfde model werken. Ze krijgen alle nodige projectinformatie te zien, van geometrie tot eigenschappen en relaties met andere objecten. Alles wat nodig is om een totaalbeeld te krijgen, dus!
    • IFC-bestanden worden meestal opgeslagen in twee formaten: IFC-XML, een op tekst gebaseerd formaat, en IFC-SPF (Step Physical File), een binair formaat.
    • Het IFC-datamodel bestaat uit verschillende property sets. Die staan in voor het vastleggen en categoriseren van specifieke eigenschappen en kenmerken van bouwelementen binnen het IFC-datamodel. Een van de property sets kan bijvoorbeeld worden gebruikt om informatie zoals materiaal, brandclassificatie, thermische eigenschappen, en meer te beschrijven.


    IFC-bestanden openen:

    • Selecteer de juiste software:Zorg ervoor dat je een Building Information Modeling (BIM) software of een IFC bestand viewer hebt geïnstalleerd op je computer. Enkele populaire opties zijn Autodesk Revit, Tekla BIMsight, Solibri Model Checker, en IFC OpenShell. Kies de software die het beste past bij je behoeften en mogelijkheden.
    • Start de software:start de BIM-toepassing of IFC bestand viewer die je hebt geïnstalleerd.
    • Kies de IFC file en importeer:eens je de juiste software hebt geselecteerd en geopend, zoek je in het menu naar de optie om een IFC-bestand te importeren. Deze optie kan variëren afhankelijk van de software, maar wordt meestal aangeduid als "Importeren" of "IFC-bestand toevoegen". Sommige BIM-software bieden configuratieopties voor dit importproces. Zo kun je eenheden instellen of specifieke bouwelementen kiezen voor import.
    • Bevestig en voltooi de import:bevestig de import en voltooi het proces. De software zal het IFC-bestand laden en de bouwinformatie weergeven in een voor jouw project geschikte weergave.
    • Ga aan de slag met de bouwinformatie:nu kan het echte werk beginnen!


    IfC bestand viewers zijn o.a.:

    1. BIMcollab Zoom, free via KUBUS;
    2. BIMvision, gratis/freeware;
    3. Open IFC-viewer; gratis;
    4. Autodesk Revit
    5. Tekla BIMsight
    6. Solibri Model Checker, free;
    7. IFC OpenShell


    IfcObject

    IfcGroep


    ILS

    De BIM Basis ILS heeft als doel om met z'n allen dezelfde taal spreken. Op deze manier kunnen we informatie efficiënter en effectiever borgen en daardoor ook hergebruiken. De Basis ILS geeft antwoord op een vier simpele vragen:

    1. Waarom gaan we informatie eenvoudig uitwisselen? 
    2. Hoe gaan we die informatie eenvoudig uitwisselen? Vanuit de BIM Basis ILS is er afgesproken om te werken met één gemeenschappelijk bestandsformaat en dat is IFC (Industry Foundation Classes).
    3. Welke structuur gaan we hanteren? 
      1. Bestandsnaam; Ifc?
      2. Lokale positie en oriëntatie; IfcLocation en IfcOrientation
      3. Bouwlaagindeling en -naamgeving; IfcBuildingStorey;
      4. Correct gebruik van entiteiten; IfcEntity.Enumeration
      5. Structuur en naamgeving; Objecten consistent voorzien van Name en Type
      6. Informatie-indeling tabel 1 van de NL/Sfb, de Elementenmethode, 4 posities XX.XX, voorzie objecten van deze code;
      7. Objecten voorzien van correct materiaal; NAA.K.T (niet IfcMaterial of IfcBuildingMaterial.
    4. Doubloures en doorsnijdingen.
    5. Hoe borgen we andere of toekomstige objectinformatie?


    Inventarissen

    In tabel 1 van de NL/Sfb, de elementenmethode, zijn ook de inventarissen opgenomen, met een subverdeling naar losse inventaris bij Elementgroep 8, specifiek Element 81 t/m 86. Handig voor de situatie dat het serviesgoed onderdeel is vanhet geheel, zoals opdrachten die architecten als Berlage ooit kregen, om een soort van Gezamtkunstwerk te maken. Het bouwdeel is dan de stallingsplaats van het serviesgoed, de activiteit is dan het opbergen van serviesgoed daarin en de bouwstof/product is servies.


    Gebouw

    Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. OPMERKING Deze term is overgenomen uit de Woningwet.


    Klanteisenspecificatie

    Een klanteisenspecificatie is een "document" waarin, geprioriteerd, de specifieke vereisten en wensen van de klant (Opdrachtgever) vastlegt zijn met betrekking tot een Werk, Dienst of Levering. Het is een essentieel onderdeel van de start van het specificatieproces. Enkele veelvoorkomende onderwerpen die in een klanteisenspecificatie kunnen worden opgenomen, zijn:

    1. Objecten vereisten; lokatie, verdiepingen, footprint, orientering, zonering, compartimentering, ruimten (SBS)
    2. Specifieke functionaliteiten; logistiek, de samenhang (van, en het gebruik van, de objecte (FBS)
    3. Functie- en Prestatie eisen; (RBS); Doel en doelstellingen en rationele meetbare eisen;
    4. Technische oplossing; voorkeuren;
    5. Product vereisten; (PBS);
    6. Activiteiten vereisten; (WBS)
    7. Organisatie vereisten; (OBS), fasering, planning, samenwerkingsvorm, contractvorm, communicatie, rapportage;
    8. Kosten vereisten; budget, bepaling, zekerheden (KBS),
    9. Test vereisten; (TBS).

      Het opstellen van een klanteisenspecificatie is een belangrijke stap omdat het helpt om de verwachtingen van de klant te definiëren en te verduidelijken alsmede om een gemeenschappelijk begrip te creëren vanuit de klant (de vraag ander de vraag)


      Kwaliteitscircel van Deming, variant toegepast in de bouwsector

      De kwaliteitscirkel van Demingis een creatief hulpmiddel voor kwaliteitsmanagement en probleemoplossing ontwikkeld door de Amerikaanse statisticus en kwaliteitsgoeroe Dr. W. Edwards Deming. De cirkel beschrijft vier activiteiten welke uiteindelijk zorgen voor een beoogde of betere kwaliteit. Het cyclische karakter garandeert dat de kwaliteit continu onder de aandacht is. De vier activiteiten in de kwaliteitscirkel van Deming zijn:

      1. PLAN: bedenk een technische oplossing voor de geopperde functionele eisen en daaraan gekoppelde prestatie-eisen.
      2. DO: Voer de technische oplossing uit, het liefst via een proefopstelling, proefvlak of bemonstering;
      3. CHECK: Toets het verkregen resultaat en vergelijk deze met het beoogde reultaat.
      4. ACT: Stel zonodig bij en doorloop wederom de fasen.


      Iets ander is Systems Engineering, een methodologie die wordt gebruikt voor het ontwerpen en beheren van complexe systemen gedurende hun levenscyclus. Het richt zich op het begrijpen en definiëren van de behoeften van belanghebbenden, het specificeren van systeemvereisten, het integreren van systeemonderdelen, en het valideren en verifiëren van systeemprestaties.

      Hoewel de kwaliteitscircel van Deming en Systems Engineering verschillende concepten vertegenwoordigen, kunnen ze op een complementaire manier worden toegepast. Zo kan de PDCA-cyclus worden toegepast om een SE proces continu te verbeteren. Bijvoorbeeld, tijdens de ontwerp- en ontwikkelingsfase van een systeem, kunnen Systems Engineers de PDCA-cyclus gebruiken om iteratieve verbeteringen aan te brengen in het ontwerpproces en de specificatie van systeemvereisten.


      Leveranciers

      Partijen die bouwstoffen, eventueel in het contract tussen de opdrachtgever en aannemer(s) voorgeschreven, aan de 1e lijns aannemer(s), de aannemer die een overeenkomst heeft met de opdrachtgever, leveren, als eindleverancier in de distributieketen in de bouwsector deel uit van fabrikanten, importeurs, distributeurs, tussenleveranciers en eindleveranciers. In het OSS schema kunnen ze terugkomen bij de Productenboom (PBS) en zouden ook opgenomen kunnen worden in de Actor lijst, IfcActor, als hun betrokkenheid verder gaat dan puur leveren.

       

      Locatie


      4.4 Oriëntatie, nulpunt en referentie
      Voorwaarden modelopbouw:
      ü Het (originele) nulpunt van het model dient gelijk te liggen aan de positie van het referentieobject (zie
      onderstaande eisen m.b.t. het referentieobject);
      o Voor Revit-gebruikers betekent dit dat zowel het Project Base Point, het Survey Point als het Revit
      Origin point op 0,0,0 ligt;
      o Indien er vanuit een eerdere fase modellen worden overgenomen, waarbij deze punten van elkaar
      afwijken zal in overleg met Dura Vermeer een keuze gemaakt worden voor het definiëren van het
      gewenste nulpunt m.b.t. IFC-exports (“Project Origin”)
      § Voor deze modellen kan een separaat stelsel aangemaakt worden t.b.v. de gewenste IFCexports;
      o M.b.t. het RD-stelsel zal door Dura Vermeer een apart stelsel aangemaakt worden zodat het geheel
      gemakkelijk en snel in RD is te positioneren;
      § Let op: ook hiervoor geldt dat indien er vanuit een eerdere fase afgeweken wordt van de
      origin punten op 0,0,0; zal er voor ieder afzonderlijk Revit-project een specifiek stelsel
      aangemaakt moeten worden (stelsels zijn gebaseerd op Revit Origin en Survey Points);
      ü Er wordt gemodelleerd in het positieve kwadrant;
      ü De modellen zijn gepositioneerd volgens het vastgestelde stramienplan;
      Voorwaarden fysiek nulpunt referentieobject:
      ü Gebruik een kubus als (fysiek) nulpunt referentieobject;
      ü Gepositioneerd op -5000.-5000.0 vanuit stramienkruising A-1;
      ü Bovenzijde kubus gelijk aan Peil=0;
      ü Afmetingen kubus 1000 x 1000 x 1000 millimeter (1 x 1 x 1 m);
      ü Exporteer deze mee naar IFC.



      Volgens de RBS zijn er 2 soorten posities en orientatie:

      Lokale positie: in het BIM-3D-extract is de representatie van het bouwwerk als model vlakbij het nulpunt gepositioneerd.
      Lokale oriëntatie: de representatie van het bouwwerk is in het algemeen zodanig georiënteerd dat de orthogonaliteit samenvalt met de x- en y-as én dat in een bovenaanzicht het noorden zoveel als mogelijk naar de bovenkant, of de hoofdingang naar de onderkant wijst.

      De lokale positie en oriëntatie is onderscheiden van de geografische positie en oriëntatie



      Locatiegegevens, gekoppeld bijvoorbeeld aan de objectenboom, zijn vaak gebaseerd op:

      1. GIS, een geografisch informatiesysteem (meestal afgekort tot GIS) is een informatiesysteem waarmee (ruimtelijke) gegevens of informatie over geografische objecten, zogeheten geo-informatie kan worden opgeslagen, beheerd, bewerkt, geanalyseerd, geïntegreerd en gepresenteerd.
      2. Postcode
      3. Kadaster (BAG)

      Vanwege de omgevingswet:

      1. Bouwplaatslocatie: Dit verwijst naar de specifieke geografische locatie waar het bouwproject zal plaatsvinden. Het kan een stedelijke locatie zijn, een landelijk gebied, een industrieterrein, enzovoort.

      2. Plaatsgebonden voorschriften: Dit omvat regelgeving en voorschriften die specifiek zijn voor de locatie van het bouwproject, zoals bouwvoorschriften, milieuwetten, zoneringseisen, enzovoort. vanuit de omgevingswet.


      De term "IFC locatie" verwijst naar de locatie-informatie die wordt opgenomen in Industry Foundation Classes (IFC), een open bestandsindeling die wordt gebruikt in de bouw- en vastgoedsector voor het uitwisselen en delen van bouwinformatie tijdens de levenscyclus van een gebouw.

      Binnen het IFC-formaat worden gegevens over de locatie van een gebouw of een bouwelement opgenomen als onderdeel van het IFC-bestand. Deze locatiegegevens kunnen verschillende aspecten omvatten, zoals de geografische coördinaten (zoals breedtegraad, lengtegraad en hoogte), de plaatsnaam, het adres, de ruimtelijke relaties met andere gebouwelementen, enzovoort.


      Door IFC-locatiegegevens te integreren met GIS-systemen (Geografische Informatiesystemen) kunnen bouwprofessionals een uitgebreider inzicht krijgen in de ruimtelijke context van een gebouw of een bouwproject, wat kan helpen bij locatieanalyse, ruimtelijke planning, milieubeoordelingen en meer.

      Het integreren van IFC met GIS vereist vaak de ontwikkeling van aangepaste workflows, gegevensuitwisselingsprotocollen en softwaretools die interoperabiliteit mogelijk maken tussen IFC-bestanden en GIS-systemen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van standaarden voor gegevensuitwisseling, zoals CityGML, om bouwgerelateerde gegevens te integreren met GIS-functionaliteit.


      In de BIM basis ILS sprekt men over LOKALE POSITIE EN ORIENTATIE,  NULPUNT

      Het "0-punt" in het IFC-model verwijst naar het referentiepunt waaruit de coördinaten van objecten binnen het model worden gemeten. Het wordt ook wel het "oorspronkelijke punt" genoemd. Dit referentiepunt kan variëren afhankelijk van het specifieke IFC-bestand en de software die wordt gebruikt om het model te maken of te bekijken.

      In de context van een IFC-model fungeert het 0-punt als het nulpunt voor de X-, Y- en Z-coördinaten van objecten in de ruimte. Alle objecten binnen het model worden gepositioneerd ten opzichte van dit referentiepunt. Dit maakt het mogelijk om objecten nauwkeurig te plaatsen en te positioneren binnen het model.

      Het 0-punt wordt vaak gekozen op een logische locatie binnen het model, zoals het middelpunt van het gebouw of een ander kenmerkend punt dat relevant is voor het project. Het kan ook worden gekozen op basis van industriestandaarden of softwarevereisten.

      Het 0-punt is belangrijk omdat het de basis vormt voor het coördinatensysteem van het IFC-model, waardoor objecten consistent en nauwkeurig kunnen worden gepositioneerd en gecoördineerd binnen het model.


      Wenselijk is dat diverse bomen in het schema zoals de objecten in de objectenboom (SBS), maar ook de producten in de Productenboom (PBS) gekoppeld kunnen worden aan de entiteit locatie. Dat kan zijn:

      1. een koppeling met het project-specifiek gekozen 0-punt, het referentiepunt waar de projectcoordinaten aan gerelateerd zijn, de lokale positie zoals gedefinieerd in de BIM basis ILS, voor het afstemmen van de aspectmodellen op elkaar; Dit punt kent een oorsprong, een vast punt van het gebouw of het terrein, bijvoorbeeld een hoe van een gebouw nabij of een piket op het terrein;
      2. meer generiek is de koppeling van het gebouw met de XYX-coordinaten van de het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel (RD-stelsel), voor vastgoedbeheer en een materialenpaspoort en dergelijke.


      Het kiezen van een geschikt gebouwspecifiek 0-punt is een cruciale stap bij het opzetten van een BIM-project, omdat het de consistentie en nauwkeurigheid van het model beïnvloedt. Het 0-punt kan bijvoorbeeld worden gekozen op basis van een vast referentiepunt in het gebouw of de site, zoals een hoek van het gebouw, een nulpunt op de grond, of een ander gemakkelijk te identificeren punt. Door een duidelijk gedefinieerd 0-punt te gebruiken, kunnen alle betrokken partijen binnen het project op een consistente manier werken en kunnen coördinatieproblemen worden voorkomen. Het 0-punt wordt vaak gedocumenteerd en gecommuniceerd binnen het BIM-project, zodat alle teamleden op de hoogte zijn van de vastgestelde referentie voor het positioneren van bouwelementen en -objecten en daaraan gekoppelde informatie zoals specificaties, kostenaspecten en een materialenpaspoort.


      Het Rijksdriehoeksgrid/stelsel (RD) is het nationale coördinatenstelsel van Nederland. Het RD-stelsel is terug te vinden op de Nederlandse Topografische Kaarten of topografische kaarten. De oorsprong van het Rijksdriehoeksgrid/stelsel was de spits van de Onze Lieve Vrouwetoren in Amersfoort.


      Bij het exporteren naar IFC gaan er helaas (nog) geen specificaties mee die de RD ligging en NAP kunnen vastleggen. Dit 'nulpunt' is een modelleerprincipe voor B&U BIM ontwerpers om de relatie tussen verschillende modellen onderling te bewaken.

      We bepalen XY ligging van lokale nulpunt aan de hand van de BAG registratie. Dit kan bijvoorbeeld met QGIS of met GIS plugins voor 2D CAD. De contouren van het pand zijn bekend en geven de ligging houvast (tot op zekere hoogte) Eventueel kan een inmeting ter plaatse (Cyclomedia Streetsmart) uitkomst bieden.

      Als NAP hoogte vermeld het model +20.000 mm. Om dit te kunnen toetsen kan de AHN data van GeoTiles geraadpleegd worden. Deze kan direct in het model verwerkt worden. De opgegeven waarde lijkt onrealistisch. AHN geeft een hoogte van het maaiveld ter plaatse van ca. +10.26 NAP.

      Advies om naast RD en NAP ook de rotatie mee te geven als property in IFC.


      Binnen de IFC entiteit IfcBuilding zit de property om de lokale coordinaten mee vast te leggen. Met de entiteit IfcSite wordt het gebied waarop het bouwproject wordt gerealiseerd aangegeven. Dit terrein is gepositioneerd ten opzichte van het nulpunt. Het is belangrijk dat de terreinen van verschillende aspectmodellen hieromtrent overeenkomen met elkaar.


      Bij de sitename kan de kadastrale aanduiding worden ingevuld.


      1. Binnen Revit zijn drie coördinatiepunten, XYZ, aanwezig, waarvan er twee, XY, zichtbaar zijn, deze kunnen per object meegenomen worden in het OSS:
        Project Base Point - deze wordt gebruikt als 0,0,0 punt van het project;
      2. Survey Point - dit is het punt dat aangeeft waar het gebouw zich bevindt ten opzichte van de
        aarde.



      we maken onderscheid tussen de:

      Lokale positie, 

      Globale positie

      De lokale positie van het bouwwerk is onderling
      gecoördineerd en ligt vlak bij het nulpunt.
      Tip: maak gebruik van een fysiek 0-punt object,
      geposition



      MAMO

      Eén begrotingsregel, met name die van de zogenaamde directe kosten, kan bestaan uit zowel de componenten uren, materiaal, materieel als onderaanneming (MAMO). Hierin zijn de begrippen:

      1. Materiaal, ook wel bouwstof genoemd (UAV), datgene wat het voorwerp van de activiteit is, bv om het bouwdeel te verkrijgen (netto) en wat daarvoor besteld moet worden (bruto); Als het materiaal fabrieksmatig vervaardigd is en bouwkundig van karakter, dan spreken we over een product. Als het materiaal fabrieksmatig vervaardigd is en installatietechnisch van karakter, dan spreken we over een artikel. De totale  bruto materiaalkosten
      2. Arbeid, handelingen, het gevolg van de activiteit die moet worden verricht, de totale arbeidskosten, waarvoor geldt:
        1. Richttijd (mu) = Netto bewerkingstijd (stopwatch) (mu) x Toeslagfactor (bv 1.5);
        2. Calculatietijdsnorm (mu) = Richttijd x Bouwplaatscoefficient.
        3. Totale arbeidskosten = begrote aantal calculatie activiteit/arbeids-uren maal de gemiddelde uurloonkosten van de personen die de activiteit verrichten of het gemiddelde van alle te verrichten activiteiten
      3. Materieel, klein materieel, zaken zoals gereedschap, machines, van tijdelijke aard, de totale klein materieel kosten die specifiek nodig zijn om de activiteit aan het materiaal te kunnen verrichten;
      4. Onderaannemer, de totale onderaannemingskosten van de ingeschakelde onderaannemer.

      Mapping

      Mapping in Revit kan verschillende dingen betekenen, afhankelijk van de context, maar het verwijst meestal naar het proces van het koppelen van gegevens of elementen in Revit naar externe bronnen of andere softwareprogramma’s. Hier zijn enkele belangrijke toepassingen van mapping in Revit:


      1. Material Mapping

      Material mapping in Revit houdt in dat je de materialen die in het model worden gebruikt koppelt aan specifieke eigenschappen of andere materiaalgegevens, zoals kleur, textuur, en fysieke eigenschappen. Dit is vooral belangrijk bij het genereren van renderings of het uitvoeren van analyses.


      2. Parameter Mapping

      Parameter mapping in Revit houdt in dat je parameters van elementen koppelt aan specifieke waarden of eigenschappen. Dit kan handig zijn bij het exporteren van gegevens naar andere programma’s of bij het gebruik van gedeelde parameters.


      3. Export Mapping

      Export mapping in Revit verwijst naar het proces van het koppelen van Revit-gegevens aan externe formaten voor export. Dit is nuttig bij het uitwisselen van gegevens met andere software zoals AutoCAD, Excel, of specifieke BIM-standaarden zoals IFC.


      4. Data Mapping met Dynamo

      Dynamo is een visuele programmeertool die samenwerkt met Revit. Hiermee kun je geautomatiseerde workflows en gegevensmapping uitvoeren.


      Voordelen van Mapping in Revit

      • Efficiëntie: Bespaart tijd door herhalende taken te automatiseren en gegevensconsistentie te garanderen.
      • Nauwkeurigheid: Vermindert fouten door duidelijke en consistente gegevensmapping.
      • Interoperabiliteit: Vergemakkelijkt de gegevensuitwisseling tussen Revit en andere software en platforms.
      • Flexibiliteit: Maakt het mogelijk om complexe modellen en datasets te beheren en te analyseren.

      Mapping in Revit is een krachtig hulpmiddel om de nauwkeurigheid, efficiëntie en interoperabiliteit van bouwprojecten te verbeteren. Het stelt gebruikers in staat om gegevens consistent en correct te koppelen aan de gewenste formaten en standaarden, wat cruciaal is voor succesvolle BIM-implementaties.




      Materialenpaspoort

      Document dat informatie bevat over de materialen (bouwstoffen en producten) die worden gebruikt in een bouwwerk opf gebouw. Het doel van een materialenpaspoort is om inzicht te geven in de gebruikte materialen gedurende de levenscyclus van het object. Informatie die in een materialenpaspoort kan worden opgenomen is de:

      1. Herkomst van materialen: Waar zijn de materialen vandaan gekomen? Zijn ze bijvoorbeeld gerecycled, hergebruikt of afkomstig van duurzame bronnen?

      2. Samenstelling: Wat zijn de specifieke materialen die worden gebruikt en in welke verhoudingen?

      3. Kwaliteit en eigenschappen: Wat zijn de technische eigenschappen, zoals o.a. opgenomen in een DOP en kwaliteitsverklaringen, van de materialen, zoals sterkte, duurzaamheid, brandwerendheid, enz.?

      4. Levensduur: Hoe lang worden de materialen naar verwachting gebruikt voordat ze moeten worden vervangen of gerecycleerd?

      5. Demontage en recycling: Hoe gemakkelijk kunnen de materialen worden gedemonteerd en gerecycled aan het einde van hun levensduur?

      Materialenpaspoorten helpen bij het bevorderen van circulaire economische principes door de traceerbaarheid van materialen te verbeteren, het hergebruik te stimuleren en afval te verminderen. In het OSS is er een koppeling voorzien tussen de kolommen:

      1. conditie, en met name de technische conditie, mits telkens goed in kaart gebracht;
      2. de producten en/of bouwstoffen met hun informatie zoals opgenomen in de DOP (herkomst, samenstelling, kwaliteit,etc.) en onderhouds- en gebruiksvoorschriften;
      3. de locatie van de bouwdelen waaruit de herbruikbare materialen t.z.t. kunnen worden geoogst via de weg van remontabel bouwen.


      Middel

      Generieke informatiedrager voor (bouw)produkt, arbeid of materieel.NEN 2660)

      MoSCoW methode

      DeMoSCoW-methode is een wijze van prioriteiten stellen aan bijvoorbeeld de eisen in het model. MoSCow is een afkorting (acroniem), waarvan de letters staan voor:

      M =Must haves, in beginsel niet-onderhandelbare eisen, onmisbaar, het werkt niet zonder, de topeisen;

      S = Should haves, ze zijn niet essentieel. Als je dit weglaat, functioneert het nog steeds. Ze kunnen echter aanzienlijke waarde toevoegen;

      C = Could haves of nice to have, zijn niet noodzakelijk voor de kernfunctie;

      W = Won't haves of will not have, is één manier om te voorkomen dat er teveel "ruimte" ontstaat.


      De kleine letters 'o' in de afkorting hebben geen betekenis, maar maken de afkorting makkelijker te onthouden.


      De prioriteit kun je baseren op:

      1. Urgent en belangrijk: deze taken moeten eerst worden uitgevoerd
      2. Belangrijk maar niet urgent: reserveer tijd in je agenda, zodat je deze later zonder onderbreking kunt doen
      3. Urgent maar niet belangrijk: delegeer. Delegeer. Delegeer.
      4. Niet urgent en niet belangrijk: schrap ze uit je takenlijst


      Een veelgehoorde kritiek op MoSCoW-methode is dat het geen objectieve methodologie bevat om prioriteiten ten opzichte van elkaar te rangschikken. Een methodologie, bv door wegingsfactoren of vetorecht, is derhalve gewenst door bijvoorbeeld af te spreken wat het "gewicht is", bv in %, van een betrokken functionaris, een Actor .Zo kan dan een M, S of C keuze over-ruled worden door een actor met meer beslissingsbevoegdheid , bijvoobeeld de architect, door een  W.


      Softwareontwikkelingsexpert Dai Clegg creëerde de MoSCoW-methode terwijl hij bij Oracle werkte. Hij ontwierp het raamwerk om zijn team te helpen bij het prioriteren van taken tijdens ontwikkelingswerkzaamheden aan productreleases.


      Een categorie (Must have, Should have, Could have, Won't have) bij een functie, functionele- en prestatie-eis, of toetsing zou objectiever en rationeler vastgesteld kunnen worden zijn wanneer de uiteindelijke uitkomst interdisciplinair onderbouwd is, hetgeen anders kan leiden tot verwarring over welke vereisten of testen de hoogste prioriteit hebben. Om dit op te lossen zou je kunnen denken aan een een prio-inbreng module in het OSS, waarvan de output opgenomen wordt in het dashboard,  op basis van:


      1. Wie is de actor die meebeslist, zijn/haar taken/rollen en verantwoordelijkheden; de opdrachtgever gaat voor facilitiemanager
      2. Wat is zijn/haar expertise; bij een installatie technisch iets gaat de adviseur voor de architect;
      3. Wat is de context vanwaar uit wordt geprioriteerd;
      4. Wat is zijn/haar "gewicht" in deze. De competentie, kennis en ervaring van de meebeslisser.


      NAA.K.T

      Een initiatief van een groep BIM enthousiastelingen, die betrokken zijn bij diverse standaarden en richtlijnen in Nederland. NAA.K.T. wordt ondersteund door het BIM Loket, thans DiGiGo en de BIM basis ILS. Belangrijke uitgangspunten van deze codering zijn dat je deze gemakkelijk kunt toepassen, en dat de codering software onafhankelijk is. NAA.K.T. is een afsprakenstelsel om een eenduidige communicatie over materialen te waarborgen en staat voor NAAm, Kenmerk en Toepassing. De NAA.K.T. systematiek is vrij strikt maar laat ook ruimte voor eigen toevoegingen in de materiaalbenaming.


      Nevenaannemers

      In beginsel aannemers die een deel van het totale werk uitvoeren, grotendeels binnen dezelfde overall uitvoeringsduur. In de UAV worden dit "In verband met ander werken" genoemd. Deze aannemers hebben vanuit de UAV een gedoogplicht ten opzichte van elkaar en gaan dikwijls, naast ieders 1e lijns contract met de gemeenschappelijke opdrachtgever, vaak ook een besteksmatig opgelegde coordinatie-overeenkomst met elkaar onderling aan. In de praktijk gaat het hierbij vaak over een bouwkundig aannemer, een aannemer E en een aannemer W.


      Paritaire voorwaarden voor werken, zoals de UAV, spreekt niet expliciet over nevenaannemers maar wel weer over werken, dus aannemingsovereenkomsten. Er kunnen in de praktijk ook werkzaamheden zijn die niet vallen onder de definitie van een werk. Hierbij kan men denken aan diensten als de nutsvoorzieningen e.d. of leveringen (directieleveringen). Vanuit de opdrachtgever gezien laten deze partijen zich vaak geen algemene voorwaarden opspelden en dient de opdrachtgever zich te voegen aan de leveringsvoorwaarden van deze partijen.


      IfcActor=definieert alle personen betrokken bij een project tijdens de volledige levenscyclus, of een del daarvan, van een bouwwerk.


      Nevenadviseurs

      Partijen die ieder op zich een dienstverlening (overeenkomst van opdracht) namens de gemeeschappelijke opdrachtgever een onderdeel van het het PvE uitwerken, veelal gefaseerd. Middels aggregatie kunnen de aspectmodellen van hun werkzaamheden geintegreerd worden en zodoende beter op elkaar afgestemd alvoren het uit te voering, waardoor faalkosten beperkt kunnen worden.

      Daar in de praktijk het gebruikelijk is dat de bouwkundig nevenaannemer, bouwkundige werkzaamheden verricht zoals leidingsleuven, opstortingen, sparingen houden etc ten behoeve van de installatietechnische nevenaannemers is het belangrijk om dat mee te nemen indien het werk partieel wordt aanbesteed . Dus zomaar 1 overall Technische Specificatie opdelen zal de nodige  frictie opleveren tijdens de uitvoering.


      IfcActor=definieert alle personen betrokken bij een project tijdens de volledige levenscyclus van een bouwwerk.


      Object

      Een voorwerp, ding, zaak, of entiteit aangeduid, dat zowel van materiële of onstoffelijke aard kan zijn. Als algemene omschrijving kan gezegd worden dat een object datgene is waar de mens zijn aandacht, zijn bewustzijn, op richt. Element is in deze de naam voor een fysiek object en bouwdeel is de naam voor zowel een fysiek en gematerialiseerd object.


      In dit kader verwijst een "triple" naar een fundamentele eenheid van gegevens die bestaat uit drie componenten:

      1. Subject (Onderwerp): Het onderwerp van de verklaring, dat het item beschrijft waarop de verklaring betrekking heeft.
      2. Predicate (Predicaat): Het predicaat of de eigenschap die wordt toegepast op het onderwerp en die de relatie beschrijft tussen het onderwerp en het object.
      3. Object (Object): Het object van de verklaring, dat de waarde of entiteit vertegenwoordigt waarnaar het onderwerp verwijst of waaraan de eigenschap is toegepast.


      Objectenboom

      Een objectenboom kan worden gebruikt om de hiërarchische structuur van de verschillende objecten van een bouwproject te visualiseren, van op het hoogste niveau het complex en gebouw en op het laagste niveau de gebruikte bouwstoffen. Een objectenboom kan worden gebruikt als een leidraad voor het opzetten van een 3D-model van het bouwproject. Door de objectenboom te volgen, kunnen ontwerpers en ingenieurs het 3D-model betrouwbaar afleiden van de specificaties van het project, met name de objectspecificatis met bijbehorende eisen. Een objectenboom kan ook dienen als een gemeenschappelijk referentiepunt voor alle belanghebbenden bij het bouwproject, zoals ontwerpers, ingenieurs, aannemers en installateurs. Door een gestandaardiseerde structuur en opslag van de data te gebruiken zal er sprake zijn van effectieve communicatie en samenwerking tussen alle betrokken partijen. Een objectenboom kan ook dienen als een gestandaardiseerde manier om documentatie te organiseren en te archiveren gedurende alle stadia van het bouwproject. Hierbij kunnen verschillende documenten worden gecombineerd met specifieke elementen in de objectenboom. Op deze manier wordt een overzichtelijke en toegankelijke database gemaakt van alle relevante informatie die tijdens het project wordt gemaakt, wat van onschatbare waarde kan zijn voor de toekomstige zoals  alle vormen van gebruik en onderhoud.


      Omgevingsloket

      Het nieuwe Omgevingsloket is de plek waar alle digitale informatie over de fysieke leefomgeving te vinden is. Denk aan de verschillende regels vanuit gemeente, provincie, waterschap en Rijk. Zo ontstaat voor burgers, bedrijven en professionals een compleet beeld van wat kan en mag in hun leefomgeving.

      Burgers, bedrijven en professionals kunnen in het nieuwe Omgevingsloket:

      1. zien of er een vergunning of melding nodig is voor een (bouw)project;
      2. een vergunningaanvraag indienen of een melding doen;
      3. op een kaart zien welke landelijke en lokale regels op een locatie gelden;
      4. aangeven wat zij bij plannen aan participatie hebben gedaan en wat het resultaat daarvan is;
      5. een overzicht met de eigen aanvragen en meldingen zien.


      De bovengenoemde regels kunnen overgenomen worden in het OSS.


      Omgevingsplan

      Met het ingaan van de Omgevingswet per 1 januari 2024 introduceert deze wet het omgevingsplan, als opvolger van het bestemmingsplan, maar dan breder. Het omgevingsplan bevat niet alleen regels over de bestemming van een locatie, maar ook lokale regels voor bijvoorbeeld geluid en bodem. Het omgevingsplan vervangt het geldende bestemmingsplan en de beheersverordening uit de Wet ruimtelijke ordening. Nu hebben gemeenten vaak meerdere bestemmingsplannen voor hun grondgebied. Onder de Omgevingswet moet iedere gemeente 1 omgevingsplan voor haar hele grondgebied vaststellen. Gemeenten krijgen ruimte om omgevingsplannen 'globaler en flexibeler' in te richten dan bestemmingsplannen. Dat is 1 van de doelen van de Omgevingswet. Daardoor kan het omgevingsplan ruimte bieden aan initiatieven binnen daarin opgestelde kaders. Het omgevingsplan beperkt zich dus niet tot planologische aspecten enkel zijnde: "een goede ruimtelijke ordening". Het voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast kan het ook andere regels bevatten over activiteiten. Het gaat dan om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.  In het domein bouw kunnen meer onderwerpen in een omgevingsplan een plek krijgen. Het omgevingsplan mag regels (prestatie-eisen) bevatten over het:

      1. Gebruik van gronden en bouwwerken;
      2. Bouwen en in stand houden van bouwwerken.


      Een omgevingsplan stelt een omgevingsvergunningplicht voor de activiteit bouwen, een zogenaamd Omgevingsplan Activiteit (OPA), en bevat beoordelingsregels voor de maximale bouwhoogte van bouwwerken. Als een bouwplan binnen deze maximale bouwhoogte blijft, dan is sprake van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. De aanvraag om de omgevingsvergunning daarvoor moet worden verleend. Als het bouwplan de maximale bouwhoogte overschrijdt, dan is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De aanvraag om de omgevingsvergunning daarvoor kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



      In het omgevingsplan kunnen vanzelfsprekend alleen regels worden gesteld die binnen de reikwijdte van de Omgevingswet vallen. In de Omgevingswet is een niet uitputtende opsomming van het begrip fysieke leefomgeving opgenomen. Daar is vastgelegd dat de fysieke leefomgeving in ieder geval omvat:

      1. bouwwerken
      2. infrastructuur
      3. watersystemen
      4. water
      5. bodem
      6. lucht
      7. landschappen
      8. natuur
      9. cultureel erfgoed
      10. werelderfgoed.


      Zowel regels over activiteiten als functies zijn hulpmiddelen om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

      Verwacht mag worden dat initiatiefnemers vooral digitaal via het DSO-LV zoeken en raadplegen.


      Onderaannemers

      2e en meer lijns, vaak gespecialiseerde, aannemer(s) die namens de 1e lijns aannemer(s) werkzaamheden van stoffelijke aard verrichten aan het werk, bijvoorbeeld de installateur die meerdere technieken als onderaannemer uitvoert of een schildersbedrijf welke enkel het schilderwerk doet. Via een herverdeling, in de vorm van een sortering, kunnen zaken toebedeeld worden richting de onderaannemers, voorgeschreven of niet.


      IfcActor=definieert alle personen betrokken bij een project tijdens de volledige levenscyclus van een bouwwerk.


      Onderhoud

      Onderhoud is het totaal van activiteiten met als doel, het in "een aanvaardbare conditie" houden of terugbrengen van gebouwen of onderdelen daarvan teneinde de "gevraagde mate van functionaliteit", het aanvankelijke doel, te borgen. De "gevraagde mate van functionaliteit" is te definiëren voor de aspecten:

      1. Veiligheid; de mate waarin het behoedt voor lichamelijke schade;
      2. Gezondheid; de mate waarin het functioneren niet in conflict is met de gezondheid van mens en milieu;
      3. Bruikbaarheid; de mate waarin het helpt met een bepaalde activiteit;
      4. Duurzaamheid; de mate waarin het behoedt voor onnodige inzet van mankracht en uitputting van energie en grondstoffen;
      5. Comfort; de mate waarin het behoedt voor een onprettige beleving of gevoel;
      6. Uitstraling; de mate waarin het een subjectieve ervaring van "schoonheid" geeft.


      Er is vaak sprake van een geleidelijke afname van de functionaliteit maar in een beperkt aantal gevallen gaat de functionaliteit meteen verloren. Bijvoorbeeld het schilderwerk gaat er gelijkelijk steeds slechter uitzien, maar een pomp van de centrale verwarming kan er in eens mee ophouden.

      Er is duidelijk verschil tussen een aanpassing, een verandering en onderhoud. Onderhoud heeft als doel de staat waarin het verkeert en waarvan we vinden dat deze niet voldoet aan de vraag naar functionaliteit terug te brengen naar een eerdere (betere) staat. Deze staat kan bereikt worden door een reparatie, door een reiniging of door controle of vervanging van versleten onderdelen. Het nalaten van onderhoud zal de levensduur verkorten. De staat waarin iets (een zaak) verkeert wordt vooral bepaald door de prestatie die een zaak levert. Bij een technische zaak zal dit veel eerder uitsluitend op de prestatie zijn dan bij een zaak die in het zicht zit. Bijvoorbeeld een cv-ketel zal uitsluitend worden beoordeeld op het goee werking. De prestatie wordt geborgd door regulier onderhoud aan de cv-ketel. Bij een keukenblok zal ook de mate waarin het er nog netjes uit ziet meespelen.

      Bij het uitvoeren van onderhoud wordt een nieuwe, betere staat bereikt. Er wordt dus teruggegaan naar een eerdere betere staat, maar niet per se naar een nieuwstaat. Bij de eenvoudigste onderhoudsactiviteiten zoals schoonmaken wordt een aanvaardbare situatie bereikt. Dit is ook de bedoeling van onderhoud: Een aanvaardbare situatie bereiken.

      Een lamp vervangen omdat deze defect is of zwakker is gaan branden is onderhoud, een extra lamp toevoegen is een aanpassing of installatie.

      Het deurklink verwijderen, omhoog draaien en weer terug zetten zodat kleine kinderen de deur niet kunnen openen is een aanpassing, een andere deurklink monteren omdat je die mooier vind is een verandering. De deurklink uitnemen, schoonmaken, oliën en terugzetten is onderhoud.

      De term onderhoud wordt vaak gebruikt in combinatie met de term beheer. Beheer en onderhoud zijn alle activiteiten om van alle zaken die onderhoud behoeven eerst door goed beheer de onderhoudslast in beeld te brengen en daarna door goed onderhoud ook in een aanvaardbare situatie brengen. Bij beheer moet men dan denken aan inspectie, controle, keuringen en certificering van betreffende zaken.

      Soorten onderhoud aan gebouwen, terreinen en installaties zijn:
      1 Reactief (onderhoud plegen omdat er een dwang of drang aanwezig is)

      • Klachtenonderhoud: om gebreken te herstellen na bijvoorbeeld de melding van een klacht van een ondeskundige persoon, bewoner of gebruiker die de klacht ervaart;
      • Service onderhoud: een andere, betere manier om klachtenonderhoud te beschrijven;
      • Correctief onderhoud: om gebreken te herstellen na bijvoorbeeld de melding van een "klacht" van een bevoegd persoon (facilitair medewerker), een constatering van een deskundig persoon (medewerker technische dienst) of een automatisch gegenereerde melding van een storing door een installatie;
      • Curatief onderhoud: om ontstane gebreken te herstellen, waarna het gebrek niet meer op kan treden.

      2 Proactief (onderhoud plegen op basis van bekendheid met of kennis van het gebouw met terrein en installaties):

      • Preventief onderhoud: ter voorkoming van defecten;
      • Periodiek onderhoud: onderhoud dat zeer regelmatig wordt uitgevoerd aan vooral installaties maar ook bouwkundige zaken om schade of uitval te voorkomen (risico mijdend);
      • Planmatig onderhoud: ter voorkoming van defecten, op een gestructureerde wijze in de tijd. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van eenonderhoudsplan;
      • Mutatieonderhoud: onderhoud bij wijziging van de huurder (huurwoningen) of wijziging van de verhuurovereenkomst (commercieel vastgoed);
      • Toestand afhankelijk onderhoud: onderhoud uitgevoerd na inspectie waarbij de toestand waarin de zaak verkeert bepalend is voor de mate van uit te voeren onderhoud per direct;
      • Conditiegestuurd onderhoud: onderhoud uit te voeren aan onderhoudsgevoelige zaken op basis van een onderzoek naar de toestand waarin deze onderhoudsgevoelige zaken verkeren, zoals met eenconditiemetingconform deNEN 2767. Dit kan zijn per direct maar ook op termijn rekening houdend met de ontwikkeling van de onderhoudsvraag.

      3 Additief (onderhoud plegen op basis van een tactisch of strategisch plan en daarmee iets toevoegen naast het reguliere onderhoud)

      Soorten onderhoud (installatietechnisch):

      Categorieën onderhoud aan complex vastgoed en de vastgoedeigen installaties zijn:

      • Klachtenonderhoud: het uitsluitend onderhouden op basis van geregistreerde of gemelde klachten. Deze vorm is heel duur vanwege het onvoorspelbare karakter en de overdaad aan communicatie in verhouding tot de geleverde onderhoudsactiviteiten. Veel onderhoudsbedrijven en eigenaren van vastgoed stappen over naar de naamserviceonderhoudom van het negatieve imago dat aan het begrip klacht hangt af te komen.
      • Correctief onderhoud: het uitsluitend wijzigen c.q. aanpassen van installaties op basis van aangetroffen afwijkingen waardoor schade is ontstaan of waardoor risico's ontstaan. Deze wijzigingen kunnen voortkomen uit een inspectie door een externe partij of een zogenaamderondeuitgevoerd door (eigen) technisch personeel.
      • Periodiek -ofpreventief onderhoud(PO): Onderhoud dat uitgevoerd wordt volgens een bepaald onderhoudsschema. Dit soort onderhoud is vooral controlerend van aard.
      • Inspectieonderhoud: onderhoud uitgevoerd door een deskundig en vaak ook gecertificeerd personeel aan installaties die een keuring vereisen en waarbij tijdens de inspectie en keuring ook direct bepaald onderhoud moet worden uitgevoerd.

      Methoden van onderhoud (installatietechnisch), Onderhoud aan een installatie(onderdeel)

      • Gebruiksafhankelijk onderhoud (GAO): Methode van preventief onderhoud die wordt uitgevoerd op basis van het aantal gebruiksuren. Dit soort onderhoud is veelal controlerend en herstellend (periodiek vervangen van onderdelen). Een goed voorbeeld van gebruiksafhankelijk onderhoud is onderhoud aan liftinstallaties. Deze vorm van onderhoud is na een aantal onderhoudscontroles zeer goed voorspelbaar (het gedrag van de installatie wordt dan als continu aangenomen). In bijzondere installaties zoals liften worden hiervoor slijtblokjes met markeringen aangebracht om het gebruik ook af te meten.
      • Toestandsafhankelijk onderhoud (TAO): Methode van preventief onderhoud op basis van vooraf gestelde criteria. Als voorbeeld een vooruit werkende inspectie of meting (periodiek controleren van kritische parameters). Zo'n korte inspectie kan opgevolgd worden door uitgebreider onderhoud na overschrijden van belangrijke grenswaarden. TAO is een planmatig soort onderhoud, kritieke parameters controlerend en pas bij noodzaak planmatig herstellend (conditieafhankelijk) vervangen van onderdelen. Deze vorm van onderhoud heeft een zeer hoge voorspelbaarheid vanwege de controles.
      • Storingsafhankelijk onderhoud (SAO): Methode van onderhoud dat uitgevoerd wordt zodra defecten of storingen optreden. Dit onderhoud is herstellend (vervanging of reparatie van defecte onderdelen en/of corrigeren van afstellingen). Dit is vergelijkbaar met klachten- of serviceonderhoud, echter hier kunnen de defecten ook gemeld worden door automatische systemen of door de eigen technische diensten en beheerders. De voorspelbaarheid van het onderhoud is laag.

        Onderhoud en strategie

        De keuze van een goed onderhoudssysteem is bij voorkeur een onderhoudssysteem waarbij voorspelbaarheid zo hoog mogelijk ligt. Dit soort onderhoud leidt (voor de eigenaar) tot lagere onderhoudslast met op langere termijn lagere kosten en een hogere voorspelbaarheid van "fouten" die kunnen optreden in het gebouw, een goed of een systeem. Voor de gebruiker (de klant, de huurder of de bewoner) leidt de keuze voor een goed onderhoudssysteem tot een betrouwbaarder, veiliger en bruikbaarder gebouw, goed of systeem. Wanneer ook de eisen, die de overheid stelt aan nieuwbouw, in het kader van duurzaamheid en energiehuishouding worden meegenomen leidt het ook tot een duurzamer gebouw.

        Goed onderhoud verhoogt de bruikbaarheid, de betrouwbaarheid (dus de functionaliteit van het gebouw). Daarnaast verhoogt goed onderhoud de veiligheid en de gezondheid van het gebouw en daarmee indirect de gebruiker. Goed onderhoud verlaagt de gebruikerslasten van het vastgoed, omdat voorspelbaar onderhoud ervoor zorgt dat ook de inzet van middelen te plannen is.

        Voorbeeld

        tl-lampen gaan een aantal branduren mee. Dat betekent dat gemiddeld iedere tl-lamp gedurende bijvoorbeeld 2500 uur kan branden. Nu zijn er drie mogelijkheden om daar mee om te gaan:

        1. vervanging op basis van klachten: als een lamp kapotgaat;
        2. systematische vervanging op basis van een van tevoren ingeschat moment;
        3. statistische vervanging op basis van een van tevoren ingenomen standpunt over de eerste storing en de daarop volgende vervangingshandeling. De eerste lamp die kapot gaat bepaalt het vervangingssysteem.
        4. conditie afhankelijke vervanging. De conditie van de lampen tezamen bepaalt exact wanneer de lampen niet meer betrouwbaar functioneren en allen tegelijk worden vervangen. Tot dat moment worden alleen noodzakelijke of kritische lampen vervangen.

        In situatie 1 wordt door een (niet noodzakelijk deskundige) medewerker van de organisatie iedere lamp vervangen die kapot gaat. Dan komt er eerst een klacht, die naar de medewerker wordt gestuurd, daarna gaat de medewerker een lamp halen en meldt zich bij de betreffende klager en vervangt daar de lamp. De technische medewerker meldt de klacht gereed en de klager is weer tevreden. Het aantal uren dat gemoeid is met de communicatie en voorbereiding is vele malen groter dan dat er uren opgaan aan het verhelpen van de storing. Op den duur zijn alle lampen ten minste één keer en sommige misschien wel twee keer vervangen. Er is geen overzicht over de staat van iedere lamp. Omdat de klagers iedere keer alleen maar klagen kan dit ook ten koste van de sfeer gaan. Als er een periode is waarin veel lampen in een korte tijd achter elkaar kapotgaan, ontstaat mogelijk een onhoudbare situatie.

        In situatie 2 worden alle lampen in één keer vervangen na een bepaalde, vaste periode. Enerzijds is dat efficiënt. Anderzijds vervangt men veel lampen die nog niet aan het einde zijn van hun technische levensduur.

        In situatie 3 worden de lampen in de gaten gehouden. Als er één stoort, kan ermee volstaan worden één lamp te vervangen, maar bij de tweede of de derde storing aan de lampen (en zeker als dat vlug na de eerste storing is) kan men de lampen alsnog systematisch gaan vervangen. In deze situatie is sprake van een leermoment. Het wordt duidelijk hoe de lampen zich gedragen en er kan een berekening worden gemaakt van het meest geijkte moment om alle lampen te vervangen. Op die manier wordt de discussie van de 'te vroeg vervangen lampen' vermeden. Anderzijds wordt vermeden dat er veel klachten komen.

        In situatie 4 bepaalt de conditie van alle lampen tezamen wanneer de lampen allemaal in één keer worden vervangen. Die conditie wordt gemeten volgens de conditiemeting. Wanneer (in het begin) een lamp stuk gaat is dat nog geen indictie dat de meerderheid op korte termijn stuk zal gaan. Echter, als na een bepaalde tijd meerdere lampen tegelijk/vlak na elkaar stuk gaan kan er een conditiemeting worden uitgevoerd naar de staat van de lampen. Als dan blijkt dat de conditie te wensen overlaat (conditie is dan 4, 5 of 6) is vervangen van alle lampen aan de orde.


        In het OSS kan de technische oplossing, de vorm van de ingreep, een afgeleide zijn van de conditie. Via de prioriteitenstelling kan een doelmatige vorm van onderhoud worden bepaald in combinatie met het koppelen daarvan aan een tijdstip. Een steiger neergezet voor het vervangen van de dakpannen kan evengoed worden gebruikt voor het vervangen van de goot hoewel dat laatste strikt genomen, vanwege de conditiescore, pas een aantal jaren later echt nodig zou zijn geweest.

        Open IFC Viewer



        Perceel

        Een onderdeel van het gehele werk, bijvoorbeeld een gebouw A en B. Bij aanbesteden is het uitgangspunt dat opdrachten, vanwege marktwerking, juist niet geclusterd mogen worden. Met deze sorteermogelijkheid kan hieraan worden voldaan.


        Een perceel in de context van aanbestedingen verwijst naar een specifiek deel van een opdrachtdat door een aanbestedende dienst wordt uitgezet voor inschrijving. Het kan ook worden aangeduid als een "kavel" of "lot".


        Perceel kan als begripsomschrijving aanbestedingstechnisch en als soort overeenkomst verschillende betekenissen hebben, afhankelijk van de aard van de inkoop, zijnde:

        1. Bouwprojecten: In het geval van bouwprojecten kan een perceel bijvoorbeeld verwijzen naar een specifiek gedeelte van een groter project, zoals de bouw van een bepaald gebouw of een specifiek onderdeel van een infrastructureel project.

        2. Dienstverlening: Voor dienstverleningsopdrachten kan een perceel bijvoorbeeld verwijzen naar een specifiek type dienst dat wordt uitbesteed, zoals schoonmaakdiensten, IT-ondersteuning, adviesdiensten, enzovoort.

        3. Leveringen: Bij leveringsopdrachten kan een perceel verwijzen naar een specifieke categorie goederen of producten die worden aangeschaft, bijvoorbeeld kantoormeubilair, medische apparatuur, computersoftware, enzovoort.


        Het verdelen van een opdracht in percelen stelt aanbestedende diensten in staat om flexibeler te zijn bij het uitbesteden van werkzaamheden en biedt potentiële leveranciers de mogelijkheid om in te schrijven op specifieke delen van een opdracht waarin zij gespecialiseerd zijn of waarin zij interesse hebben. Dit kan concurrentie bevorderen en de kans vergroten dat de aanbesteding resulteert in de selectie van de meest geschikte leveranciers voor elk specifiek onderdeel van de opdracht.


        Het OSS biedt de mogelijkheid om via een sortering een perceel uit het geheel te filteren


        PKVW

        Staat voor "Politiekeurmerk Veilig Wonen". Het is een keurmerk dat wordt toegekend aan woningen die voldoen aan bepaalde veiligheidseisen op het gebied van inbraakpreventie en sociale veiligheid. Het keurmerk is bedoeld om de veiligheid van woningen te verbeteren en het risico op inbraak te verminderen. Woningen die voldoen aan de eisen van het Politiekeurmerk Veilig Wonen worden beter beveiligd geacht tegen inbraak en hebben daardoor vaak een lagere kans op criminaliteit. Het keurmerk wordt toegekend aan woningen die zijn voorzien van goedgekeurd hang- en sluitwerk, verlichting, rookmelders en andere beveiligingsmaatregelen.

        Het Politiekeurmerk Veilig Wonen wordt ondersteund door de Nederlandse politie, gemeenten, woningcorporaties, verzekeraars en andere betrokken partijen om de veiligheid in woonwijken te verbeteren.

        Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) kent verschillende klassen die aangeven in hoeverre een woning voldoet aan de gestelde eisen voor inbraakpreventie en sociale veiligheid. Hier zijn de belangrijkste klassen die binnen het PKVW worden gebruikt:

        1. Basis: Deze klasse houdt in dat de woning is voorzien van basismaatregelen die de kans op een geslaagde inbraak verkleinen. Hierbij kan gedacht worden aan goedgekeurd hang- en sluitwerk op deuren en ramen, voldoende buitenverlichting en rookmelders.

        2. Compleet: Deze klasse gaat een stap verder dan de basis en omvat aanvullende maatregelen zoals inbraakwerend glas, meerpuntssluitingen op deuren, gecertificeerd anti-inbraakbeslag en extra verlichting rondom de woning.

        3. Optimaal: In deze klasse zijn alle mogelijke maatregelen genomen om de woning zo goed mogelijk te beveiligen tegen inbraak. Dit omvat geavanceerde beveiligingssystemen, zoals alarmsystemen, camerasystemen, en eventueel zelfs buurttoezicht.


        PKVW kan dus in SE zowel terugkomen in de:

        1. Objecten boom (SBS) zijnde de gevelopeningen  (object gekoppeld aan de Locatieparameters);
        2. Functieboom (FBS), de functie(s), zoals meegenomen in het ontwerp, desgewenst geprioriteerd (MoSCoW), door wie en het gewicht;
        3. Eisenboom (RBS), de prestatie-eisen waaraan het moet voldoen tijdens de oplevering, desgewenst geprioriteerd (MoSCoW), door wie en het gewicht;
        4. Risicoboom, optioneel, met generiek risico's en arbotechnische risico, door wie.
        5. Technische Oplossing(en), gefaseerd (met welk detailniveau) vervat in een technische omschrijving (detailniveau) tot een (materiegerichte) werkbeschrijving (detailniveau) alsmede parallel (iteratief) in een 3D-model. Desgewenst geprioriteerd (MoSCoW), door wie en het gewicht;
        6. Bouwdelen of productenboom (PBS).Desgewenst geprioriteerd (MoSCoW), door wie en het gewicht;
        7. Conditieboom, optioneel, de staat van de uitgevoerde of nog uit te voeren technische Oplossing
        8. Verificatie- en validatie, met name door de PKVW assessoren, door wie en het gewicht.


        Ploeg

        Een groep ambachtlieden die onderdeel uitmaken van hetzelfde ambacht (gilde) of techniek en de daarin geopperde activiteiten uitvoeren, zoals een metselploeg of timmerploeg.


        Prestatie eis

        Een "prestatie-eis" is een specifieke vereiste die de gewenste prestatie van iets definieert. In de context van bouwsector worden prestatie-eisen gebruikt om de verwachte resultaten, voortkomend uit de technische oplossingen van de gevraagde functionaliteiten, van een project te specificeren. Deze eisen kunnen betrekking hebben op verschillende aspecten, zoals duurzaamheid, veiligheid, energie-efficiëntie en comfort.

        Het specificeren van prestatie-eisen is essentieel om ervoor te zorgen dat het bouwproject voldoet aan de verwachtingen, het doel, van de opdrachtgever en dat het minimaal voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.


        Prestatie-eisen zijn (verifieerbaar) en gebaseerd op functionele eisen, van de (technische) oplossing. Ondubbelzinnig, meetbaar (bandbreedte/grenswaarde/minimumwaarde) en het liefst niet innovatie-belemmerend. Interdisciplinair geverifieerd.

        Prestatie-eisen in de zin van meetbare waarden of verplichtingen (verifieerbaar) kunnen zijn:

        1. Nummerieke-prestatie-eisen: zoals de kenmerken en waarden "h.o.h. 600 mm" bij een balklaag, "1:100" afschot bij een vloer, "500 lux" verlichtingssterkte op het werk oppervlak van een bureautafel of 500k euro als stichtingskosten.
        2. Alfanummerieke-prestatie-eisen: referenties, verwijzende eisen zoals "conform bestaand", "hoger dan de kerk in de naburige gemeente" of "Dorische kapiteel conform het handboekVitruvius";
        3. Esthetische-prestatie-eisen: referenties zoals beeldmateriaal/monsters/proefopstelling/proefvlak aangaande structuur, textuur, dessin, kleur etc.
        4. Een prestatie specificatie is te herkennen aan de technische invulling, zoals warmwaterverwarming of staalskelet, als resultaat van een activiteit. Ook wel de functievuller of oplossing genoemd.


        Prioriteit

        Voorkeur, voorrang, pre, voorkeursbehandeling, begunstiging. Zie MoSCoW.


        Produkt/artikel of bouwprodukt

        Product is een CPR term. CPR staat voor Construction Products Regulation, wat in het Nederlands vertaald kan worden als de Bouwproductenverordening. Het is een Europese verordening die van toepassing is op bouwproducten die op de markt worden gebracht binnen de Europese Economische Ruimte (EER). De CPR heeft als doel om de prestaties van bouwproducten te harmoniseren en te reguleren, met name wat betreft hun brandgedrag en andere essentiële eigenschappen.


        Het begrip "bouwproduct" binnen de context van de Construction Products Regulation (CPR) verwijst naar elk product dat bedoeld is om permanent te worden geïntegreerd in bouwwerken en waarvan de prestaties van invloed kunnen zijn op de prestaties van het bouwwerk met betrekking tot de basisvereisten voor bouwwerken.


        Het bouwproduct, de fabriekmatig vervaardigde bouwstof, is geintegreerd in het bouwwerk, in met name de fysieke en gematerialiseerde objecten, de "Bouwdelen".


        Productenboom

        De Product Breakdown Structure (PBS) is een hiërarchische structuur die wordt gebruikt om het systeem of project op te delen in met name producten. Het wordt ook wel gezien als een shopping list. De Product Breakdown Structure (PBS) begint bovenaan met het eindproduct, gevolgd door sub-categorieën met elementen die gelinkt zijn aan het product. Het verschil met de Work Breakdown Structure (WBS) is dat deze vooral uit activiteiten bestaat, vergelijkbaar met een to-do-list. Een Product Breakdown Structure (PBS) laat voornamelijk zien waar het project of product uit bestaat, vergelijkbaar met een ingrediëntenlijst, of boodschappenlijst.

        Een methode die veelgebruikt wordt om een PBS te ontwikkelen is een brainstormsessie, waarbij verschillende teamleden, vertegenwoordigers, en andere belanghebbenden bij elkaar komen om na te denken over een specifiek onderwerp. In dit gevalde  productkeuzes of in 1e instantie de middelen. Gedachten worden gedeeld via notitieblaadjes of een whiteboard, het zgn. mindmapping. Het bovenste element van de structuur moet altijd het eindproduct zijn


        Wellicht handiger is het om het meer neutrale en generieke begrip middel, bouwstof of materiaal te gebruiken. Niet alles voor een bouwwerk is fabrieksmatig vervaardigd.


        In de tijd gezien zal de PBS langzaam gevuld worden. Als de contractuele knip vroeg in het ontwerp proces ligt wordt deze ingevuld door de opdrachnemer. 


        De PBS kan, omdat ze gekoppeld is aan de bouwdelen uit de SBS, fungeren als materialenpaspoort of als onderlegger voor de conditiemetingen.


        Productiemiddelen

        Tabel 3 van de NL/Sfb

        Tabel van productiemiddelen, op basis van grondstoffen. Is in de praktijk te grofmazig gebleken en werkt met letters.


        Projectstadium (phases)

        Fases (Phases)Bestaand - Aangepast - Nieuw

        In Revit maakt u één totaal model, ook wanneeruw bouwplan over een bestaande toestand gaat die door de tijd verandert naar een nieuwe toestand. Het is in Revit eenvoudig om het model in fases te verdelen, een projectfase (Phase) in Revit is te zien als een tijdslot. Alle elementen die in dat tijdslot zijn gelabeld worden getoond in het model. De fases (tijdsloten) zijn opeenvolgend. U kunt net zoveel fases aanmaken als u nodig heeft.

        Hier een voorbeeld van mogelijke weergaven (met Tabellen die aantallen deuren per fase weergeven). Projectfasen: Bestaand, Aangepast en Nieuw zijn al ingeregeld in het ASD-Projectsjabloon en zodoende direct te gebruiken.



        Projectstadium, is het stadium waarin het project (projectmanagement term) zicht bevindt en is gekoppeld gedacht aan een fasenaam, die zelf bedachtkan zijn of via normering gedefinieerd.


        De klassieke vraag is of er een causaal verband is tussen de  begrippen projectstadium en uitwerkingsniveau bij alle type projecten:

        1. Ja, bij nieuwbouw is er een causaal verband tussen een geclassificeerd projectstadium en een geclassificeerd uitwerkingsniveau, immers de scoop zit daarbij vaak tussen niks, het begin van het project, waarbij er letterlijk nog niets is, en het einde van het project, vaak een lange tijd daarna, de oplevering (met narooiwerk) van het opgeleverde, het object. Uitgaan van geclassificeerde fasen en uitwerkingsniveau's lijkt voor de hand liggend.
        2. Nee, bij verbouw en onderhoud, in de gebruiks- of exploitatiefase van het object, is er geen of in ieder geval veel minder causaal verband tussen een geclassificeerde fasering en een geclassificeerd uitwerksniveau, immers de scoop, die daarbij in tijd gezien relatief kort is, zit daarbij tussen wat er als zit (As Built) en het aangepaste (As Built) tenzij er sprake is van nagenoeg vervangende nieuwbouw of hoog niveau verbetering/verduurzaming. Uitgaan van zelf bepaalde fasen en uitwerkingsniveau's lijkt dan meer voor de hand liggend. Generiek kan een dergelijk project dan opgedeeld worden in de volgende fasen (voor discussie vatbaar):


        1. Begin project, voorbereiding;
        2. Haalbaarheidsstudie;
        3. Planning;
        4. Bepalen wat er moet gebeuren, ontwerp;
        5. Partij strikken die het gaan uitvoeren;
        6. Uitvoering/realisatie;
        7. Controle werkzaamheden/oplevering;
        8. Narooiwerk/nazorg;
        9. Afsluiting en evaluatie.


        De fasering van een (nieuwbouw)project conform de Standaard Taakbeschrijving (STB) is vanuit de adviseurswereld gezien:

        1. Initiatieffase, haalbaarheid;
        2. Projectdefinitie (PD);
        3. Structuur Ontwerp of Schets Ontwerp (SO);
        4. Voor Ontwerp of Voorlopig Ontwerp (VO);
        5. Definitief Ontwerp (DO);
        6. Technisch Ontwerp (TO), de voormalige besteksfase;
        7. Uitvoeringsgereed Ontwerp (UO);
        8. Directievoering;
        9. Gebruik- en Exploitatie.


        Fase "Prijs- en contractvorming", daar waar de zogenaamde harde knip zit, kan klassiek zitten achter de TO fase (bestekscontract) maar evenzo achter fase PD, (Turn-key vanuit een geintegreerd contract).


        De UAV-GC, voluit "Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen", is een contractvorm die veel wordt gebruikt in de Nederlandse bouwsector, met name bij geïntegreerde contracten zoals Design & Build (D&B) en Design, Build, Finance & Maintain (DBFM).

        Fasering binnen het UAV-GC-contract volgt meestal een gestructureerde aanpak die overeenkomt met de verschillende fasen van een typisch bouwproject. Hoewel de specifieke fasering kan variëren afhankelijk van de aard en omvang van het project, zijn hier enkele algemene fasen die vaak worden toegepast:

        1. Voorbereidingsfase: In deze fase worden de contractuele en organisatorische aspecten van het project vastgesteld. Dit omvat het opstellen van het contract, het identificeren van de belangrijkste belanghebbenden, en het vaststellen van de contractuele procedures en richtlijnen.

        2. Ontwerpfase: Tijdens deze fase wordt het ontwerp van het project ontwikkeld. Dit omvat het uitwerken van de technische specificaties, het opstellen van tekeningen en modellen, en het verkrijgen van goedkeuringen van relevante instanties en belanghebbenden.

        3. Realisatiefase: Dit is de bouwfase waarin de daadwerkelijke constructie van het project plaatsvindt. Aannemers voeren de werkzaamheden uit volgens de contractuele vereisten en specificaties, terwijl het toezicht en de kwaliteitscontrole worden uitgevoerd door de opdrachtgever of diens vertegenwoordiger.

        4. Opleveringsfase: Na voltooiing van de bouwwerkzaamheden wordt het project overgedragen aan de opdrachtgever. Dit omvat het testen van systemen en installaties, het oplossen van eventuele resterende gebreken, en het verkrijgen van goedkeuringen voor de definitieve oplevering.

        5. Nazorgfase: Na de oplevering wordt het project overgedragen aan de beheer- en onderhoudspartijen. Dit omvat het in bedrijf stellen van systemen, het verstrekken van documentatie en training, en het opstellen van onderhoudsplannen voor de toekomstige exploitatie van het project.

        Binnen elke fase kunnen verschillende activiteiten en mijlpalen worden geïdentificeerd, en het UAV-GC-contract biedt een kader voor het beheer en de coördinatie van deze activiteiten tussen de betrokken partijen. Het doel van het faseringssysteem is om een gestructureerde en gecontroleerde aanpak te bieden voor de uitvoering van bouwprojecten, waarbij risico's worden beheerst en de belangen van alle partijen worden beschermd.


        In het OSS is derhalve niet gekozen voor enkel een "nieuwbouw" fasering. Door of namens de gebruiker kan men zelf bepalen de:


        1. totale fasering, zodat men weet wat de plaats is van de te specificeren fase ten opzichte van het geheel;
        2. fasenaam of nummer van de te specificeren fase;
        3. begindatum van de te specificeren fase;
        4. einddatum van de te specificeren fase.


        Hierdoor kan men bij kortlopende projecten zoals onderhoud sneller schakelen, met nog steeds de toepassing van het het principe" "Beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald".


        Property en propertyset

        Eigenschap of kenmerk: In algemene zin verwijst "property" naar een attribuut of kenmerk van een object, systeem, persoon, of concept. Bijvoorbeeld, in de context van Systems Engineering, zou een property van een systeem kunnen zijn de maximale snelheid, grootte, of gewicht.

        In de context van de Industry Foundation Classes (IFC), die worden gebruikt voor het modelleren en uitwisselen van bouwinformatiemodellen (BIM), verwijst "property" naar een kenmerk, attribuut of eigenschap van een element.


        Property Type

        Een Property Type kan de volgende waardes hebben:

        1. Single Value, IfcPropertySingleValue: Een vrij te kiezen tekst of numerieke waarde;
        2. Enumerated Value: Een opsomming van verschillende waardes;
        3. Bounded Value (Begrensde Waarde): Een Property die maximaal twee (numerieke of beschrijvende) waardes heeft, de eerste waarde die de bovengrens en de tweede waarde die de ondergrens;
        4. Table Value (tabel waarde): Een Property die twee lijsten van (numerieke of beschrijvende) waarden heeft (tabel met twee kolommen);
        5. List Value (lijst Waarde): Een Property met meerdere (numerieke of beschrijvende) waarden (geordende lijst);
        6. Reference Value (referentiewaarde): Een Property die verwijst naar een agenda type entiteit (dag , maand en jaar ).

        PvE

        PvE staat voor Programma van Eisen (en wensen). Het is  de ultieme bronspecificatie, geschreven door of namens een opdrachtgever, in de pre-ontwerpfase. Het zijn in basis de de functionele- (doel) en prestatie -eisen van een project, product of dienst. Oftewel het verlanglijstje van de opdrachtgever (KES). Het PvE wordt vaak gebruikt in de bouwsector om de eisen en wensen (verwachtingen), door middel van prioriteringsmethode, met "gewicht" in het beginstadium van een project-start-up goed en duidelijk vast te leggen, nog voordat men in de opvolgende fase (SO) gaat doorspecificeren en starten met ontwerpen, bijvoorbeeld op basis van een conditiemeting.

        Het Programma van Eisen kan verschillende aspecten, merendeels vervat in een zgn. Technische Specificatie, omvatten, zoals:

        1. Functionele eisen;

        2. Prestatie-eisen;

        3. Uivoerings-eisen;
        4. samenwerkingsvorm.

        Het Programma van Eisen dient primair als een referentie- en communicatiedocument (verlanglijst of boodschappenlijst) tussen de opdrachtgever en zijn of haar 1e lijns contractpartijen, bijvoorbeeld voor diensten (adviseurs) om ervoor te zorgen dat de verwachtingen duidelijk worden begrepen en nageleefd. Hoewel het wordt uitgewerk is het parallel aan het proces het ultieme referentie-document, zowel bij de fase-overgangen bij het ontwerpproces, de uitvoering en de oplevering.


        Er zijn voor het opstellen van een PvE diverse normen opgesteld zoals:

        1. NEN 2658 is een Nederlandse norm die specifiek betrekking heeft op het Programma van Eisen voor utiliteitsgebouwen. In het kader van NEN 2658 worden richtlijnen gegeven voor het formuleren van de functionele, technische en operationele eisen waaraan een utiliteitsgebouw moet voldoen. Het PvE volgens NEN 2658 bevat onder andere informatie over ruimtelijke indeling, bouwtechnische aspecten, installaties, duurzaamheid, brandveiligheid, toegankelijkheid en gebruikseisen van het gebouw. Door het gebruik van de norm NEN 2658 kunnen betrokken partijen gestandaardiseerde en consistente PvE-documenten opstellen, wat bijdraagt aan een efficiënter ontwerpproces, heldere communicatie tussen opdrachtgever en ontwerpteam, en uiteindelijk een beter eindresultaat van het utiliteitsgebouw.
        2. NEN 2631. Deze norm behandelt prestatie-eisen voor woonfuncties en geeft richtlijnen voor het opstellen van PvE's voor verschillende soorten woonruimtes.
        3. NPR 6708. Dit is een praktijkrichtlijn voor het opstellen van een PvE voor bouwwerken, inclusief woningbouw. Het biedt richtlijnen en voorbeelden voor het specificeren van functionele, technische en kwalitatieve eisen.
        4. SBR 258


        Raakvlakken bij SE

        Reinheidsgraad of schoonmaakkwaliteit

        “Goed schoonmaken is niet alleen van belang om er voor te zorgen dat een schoongemaakt object er voor het oog mooi uitziet, maar ook om te voorkomen dat de gebruikers van een object het slachtoffer worden van schadelijke stoffen en organismen die ziekte en bederf met zich mee kunnen brengen. Volgens de schoonmaakterminologie is schoon: "de situatie die wordt verkregen na het verwijderen van vuil en andere storende elementen, zoals omschreven in de norm NEN 2075, "het vastleggen van een objectief kwaliteitmeetsysteem voor de schoonmaak-dienstverlening binnen alle soorten gebouwen en locaties". De Europese opschaling voor de NEN 2075 is de ISO-EN 13549. Naast hoe schoon een bouwdeel is, een materiaal is zijn toepassing, is de bepaling van de mate van schoon ook afhankelijk van factoren die van invloed kunnen zijn op de mate
        van schoon die men ervaart, waaronder hygiëne, geur, luchtkwaliteit, interieur en inrichting. In de schoonmaakbranche verwijst de term "reinheidsgraad" naar de mate waarin een oppervlak of ruimte vrij is van vuil, stof, bacteriën, en andere verontreinigingen na een schoonmaakproces. Het meten en handhaven van de reinheidsgraad is essentieel om te zorgen voor een schone en hygiënische omgeving, vooral in omgevingen zoals ziekenhuizen, laboratoria, voedselbereidingsfaciliteiten en cleanrooms. In de schoonmaakbranche worden vaak gestandaardiseerde reinheidsniveaus gebruikt om de kwaliteit van de schoonmaakwerkzaamheden te beoordelen en te communiceren met klanten. Deze niveaus kunnen variëren afhankelijk van de specifieke eisen van de klant en het type faciliteit. Bijvoorbeeld, in ziekenhuizen kunnen verschillende reinheidsniveaus worden vastgesteld voor operatiekamers, patiëntenkamers, en openbare ruimtes.



        Het meten, verifieren en verifieren daarna, van de reinheidsgraad kan worden uitgevoerd met behulp van verschillende methoden, waaronder visuele inspectie, microbiologische tests, gebruik van testapparatuur zoals luminometers voor het meten van ATP-niveaus, enzovoort. Het handhaven van een hoge reinheidsgraad is cruciaal voor het bevorderen van de gezondheid, veiligheid en welzijn van mensen die de ruimte gebruiken, evenals voor het voldoen aan de regelgeving en normen op het gebied van hygiëne en gezondheid. De reinheidsgraad van bijvoorbeeld de operatiekamer kan worden gemeten aan de hand van verschillende prestatie-eisen als criteria, waaronder:

        1. Visuele inspectie: Een schoonmaakprofessional voert een visuele inspectie uit om te controleren of er geen zichtbaar vuil, bloed, of andere verontreinigingen op de oppervlakken aanwezig zijn;

        2. Microbiologische tests: Monsters kunnen worden genomen van verschillende oppervlakken in de operatiekamer en worden getest op de aanwezigheid van pathogene bacteriën of micro-organismen die infecties kunnen veroorzaken;

        3. Gebruik van testapparatuur: Luminometers kunnen worden gebruikt om de aanwezigheid van adenosinetrifosfaat (ATP) te meten, een indicator voor organisch materiaal en microbieel leven. Een laag ATP-niveau wijst op een goede reiniging;

        4. Checklists voor reinigingsprotocollen: Schoonmaakprofessionals kunnen gebruik maken van gestandaardiseerde checklists om ervoor te zorgen dat alle vereiste reinigingsstappen zijn uitgevoerd volgens de geldende protocollen.


        In verschillende sectoren en toepassingen worden reinheidsklassen gebruikt om de mate van reinheid aan te geven.

        Hier is een voorbeeld van hoe reinheidsklassen in een kantooromgeving kunnen worden toegepast:

        1. Reinheidsklasse 1 (Hoogste niveau):

          • Geen zichtbaar vuil, stof of vlekken op vloeren, meubilair en oppervlakken.
          • Ramen en glazen oppervlakken zijn vlekvrij en helder.
          • Sanitaire voorzieningen, zoals toiletten en wastafels, zijn grondig gereinigd en gedesinfecteerd.
          • Geen sporen van afval of rommel in kantoorruimten.
          • Algemeen gevoel van frisheid en netheid.
        2. Reinheidsklasse 2 (Gemiddeld niveau):

          • Minimale hoeveelheid zichtbaar vuil of stof op vloeren, meubilair en oppervlakken.
          • Ramen en glazen oppervlakken kunnen enkele vlekken of strepen vertonen.
          • Sanitaire voorzieningen zijn schoon, maar kunnen enige slijtage of gebruikssporen vertonen.
          • Klein afval kan aanwezig zijn, maar wordt regelmatig verwijderd.
          • Algemene indruk van netheid, maar met enkele kleine onvolkomenheden.
        3. Reinheidsklasse 3 (Laagste niveau):

          • Zichtbaar vuil, stof of vlekken op vloeren, meubilair en oppervlakken.
          • Ramen en glazen oppervlakken kunnen vuil en vlekkerig zijn.
          • Sanitaire voorzieningen vertonen tekenen van onvoldoende reiniging en kunnen onfris ruiken.
          • Afval en rommel zijn aanwezig en moeten dringend worden verwijderd.
          • Algemene indruk van onvoldoende onderhoud en netheid.

        Deze reinheidsklassen kunnen worden aangepast en afgestemd op de specifieke behoeften en verwachtingen van klanten, evenals op de omvang en aard van de kantooromgeving. Het gebruik van reinheidsklassen helpt bij het definiëren van standaarden, het beoordelen van de kwaliteit van schoonmaakwerkzaamheden en het verbeteren van de algehele netheid en hygiëne van kantoorruimten.


        Aan de basis van een schone en gezonde object ligt een schoonmaakplan. Hierin staat wie wat doet, wanneer en hoe. Zo staat van elk object en van elke ruimte beschreven wat (de bouwdelen en losse inventaris als bijvoorbeeld speelgoed en lesboeken ) op welke manier (droog, nat, stofwissen, stofzuigen, met of zonder reinigingsmiddelen) wordt schoongemaakt. Maar ook hoe vaak: dagelijks, een paar keer per week, elke maand of alleen in vakanties. En door wie?


        VSR-KMS – het kwaliteitsmeetsysteem Vereniging Schoonmaak Research

        De Vereniging Schoonmaak Research onderzoekt schoonmaakmethoden en -technieken, en ontwikkelde het VSRkwaliteitsmeetsysteem (VSR-KMS). VSR-KMS meet de technische kwaliteit van schoonmaak. Waarschijnlijk door de wetenschappelijke opbouw van VSR-KMS is het niet alleen het meest gebruikte en succesvolle, maar ook het meest gekopieerde meetsysteem. Diverse schoonmaakbedrijven, adviesbureaus en facility managers gebruiken de naam VSR voor elk VSRachtig meetsysteem – zonder dat duidelijk is wat de gecontroleerde normen nu eigenlijk zijn.
        Zelfs als wèl VSR-formulieren worden gebruikt. VSR wil een einde maken aan deze wildgroei, waarbij haar naam te pas en te onpas wordt
        gebruikt. Zij ontwikkelde het VSR-keurmerk, dat de erosie van VSR-KMS moet tegengaan.


        Reinheidsgraad of schoonmaakkwaliteit (vervallen of gedateerd?):

        1. Reinheidsgraad 2 is zwaar vervuild
        2. Reinheidsgraad 4 is matig vervuild
        3. Reinheidsgraad 6 is redelijk schoon
        4. Reinheidsgraad 8 is schoon, er is geen sprake van zichtbaar gehecht of ongehecht vuil


        Acceptance Quality Limit (AQL) van VSR-KMS

        Hoe kies je voor een bepaald kwaliteitsniveau van de geleverde dienstverlening?
        Het kwaliteitsniveau wordt vertaald in een maximaal percentage fouten dat geaccepteerd wordt. Voor sanitair bijvoorbeeld geldt doorgaans het niveau van 4%, voor patiëntgebonden ruimten geldt meestal 3%. Bij bureaukamers, verkeersruimten en klaslokalen hanteren we 7%.
        Voor specifi eke omstandigheden, zoals tandheelkundige behandelplaatsen en productieomgevingen voor voedingsmiddelen, worden nu ook AQL-tabellen van 1% en 2% gehanteerd. Deze richtlijnen zijn in de praktijk ontstaan


        In het specificatieschema kan de reinheidsgraad of schoonmaak kwaliteit, samen met de technische conditie en beeldkwaliteit, meegenomen worden in de koom "Conditie", doch er zou ook een Conditieboom, Condition Breakdown Structure (CBS) kunnen worden geopperd


        Restauratieladder

        De restauratieladder is een concept dat wordt gebruikt binnen de restauratie en het onderhoud van monumenten en historische gebouwen. Het is ontwikkeld als een leidraad om de juiste aanpak te bepalen bij het behoud, herstel en de eventuele aanpassing van dergelijke gebouwen. De restauratieladder bestaat uit verschillende treden of niveaus, die geleidelijk toenemen in ingrijpendheid. Hier zijn de gebruikelijke treden van de restauratieladder:

        1. Conserveren: Het behouden van het oorspronkelijke materiaal en de structuur van het monument. Dit omvat regelmatig onderhoud en oppervlaktebehandelingen om verdere achteruitgang te voorkomen.

        2. Restaureren: Het herstellen van beschadigde delen van het monument naar de oorspronkelijke staat. Hierbij wordt gebruik gemaakt van materialen en technieken die zo veel mogelijk overeenkomen met de oorspronkelijke bouwmethoden.

        3. Repareren: Het vervangen van beschadigde of ontbrekende onderdelen door nieuwe materialen of structuren die zoveel mogelijk overeenkomen met het origineel. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn wanneer delen van het monument te ver zijn vervallen om te worden gerestaureerd.

        4. Reconstrueren: Het reconstrueren van ontbrekende delen van het monument op basis van historisch bewijsmateriaal, zoals oude tekeningen, foto's of andere bronnen. Dit kan nodig zijn wanneer belangrijke delen van het monument verloren zijn gegaan.

        5. Transformeren: Het aanpassen van het monument voor een nieuwe functie of gebruik, terwijl de oorspronkelijke structuur en kenmerken zoveel mogelijk behouden blijven. Dit kan inhouden dat delen van het monument worden aangepast of toegevoegd om aan nieuwe behoeften te voldoen, zonder afbreuk te doen aan de historische waarde ervan.

        De restauratieladder dient als een richtlijn voor restauratieprofessionals, beleidsmakers en eigenaars van historische gebouwen om weloverwogen beslissingen te nemen over het behoud en de ontwikkeling van ons cultureel erfgoed. Het benadrukt het belang van respect voor de historische integriteit van monumenten en het vinden van een balans tussen behoud en vernieuwing.


        In de context van de Erfgoedwet en het Erfgoedplatform Monumenten (ERM) wordt de term "restauratieladder" gebruikt als een leidraad voor het plannen en uitvoeren van restauratiewerkzaamheden aan monumenten en historische gebouwen. De restauratieladder is ontwikkeld door de stichting ERM, die richtlijnen opstelt voor kwaliteitszorg in de restauratiesector.


        Risicomanagement

        Vaak afgekort als Risman. Een proces waarbij men proactief potentiële risico's identificeren, analyseren en beheren die hun doel en doelstellingen kunnen beïnvloeden. Dit omvat :

        1. het vaststellen van risico's
        2. het beoordelen van de impact ervan,
        3. het nemen van beslissingen over hoe ermee om te gaan (bijvoorbeeld vermijden, verminderen, overdragen of accepteren) en
        4. het implementeren van maatregelen om risico's te beheersen.


        Risicomanagement helpt om beter voorbereid te zijn op onvoorziene gebeurtenissen en om hun doelstellingen effectiever te bereiken door potentiële risico's te minimaliseren of te beheersen.



        Risico Analyse

        Kiezen beheermaatregelen, Wie is verantwoordelijk voor het risico en de maatregel

        Uitvoeren beheermaatregelen

        Evalueren beheermaatregelen, had het het gewenste effect


        RISMAN 7 brillen:

        1. Politiek, bestuurlijk
        2. Financieel/economisch
        3. Juridisch/wettelijk
        4. Technisch/uitvoerend
        5. Organisatorisch
        6. Geografisch/ruimtelijk
        7. Maatschappelijk/sociaal

        Revit

        In Revit, een Building Information Modeling (BIM) software van Autodesk, wordt de term "objectenboom" vaak vervangen door de "projectbrowser". De projectbrowser in Revit is een paneel aan de linkerzijde van het scherm dat een hiërarchische weergave biedt van alle elementen in het huidige project.

        Project Browser die nu standaard is voorzien van een zoekveld bovenaan.



        In Revit worden vloerplannen gebruikt om de horizontale weergave van een gebouw of ruimte weer te geven. Deze plannen tonen de indeling van de vloeren, inclusief muren, deuren, ramen, meubilair en andere elementen. Vloerplannen zijn essentieel voor het ontwerp- en constructieproces, omdat ze een gedetailleerde weergave bieden van hoe de ruimte er van bovenaf ziet.


        In Revit worden groepen gebruikt om meerdere elementen te combineren tot één entiteit, waardoor ze gemakkelijk kunnen worden beheerd, verplaatst en gecombineerd als een enkele eenheid. Groepen kunnen bestaan ​​uit een verscheidenheid aan elementen, zoals muren, vloeren, ramen, deuren, meubilair en zelfs complexe bouwelementen.


        In Revit zijn families de bouwstenen van een BIM-model (Building Information Modeling). Een familie is een verzameling van gerelateerde elementen met functionele eigenschappen en gedragingen, zoals muren, ramen, deuren, meubilair, verlichting, enzovoort. Families vormen de basis voor het creëren van objecten in een Revit-project en kunnen worden aangepast en hergebruikt om de efficiëntie en consistentie in het ontwerp- en constructieproces te verbeteren. Hier zijn enkele belangrijke aspecten van families in Revit: 1. **Soorten families:** Er zijn verschillende soorten families in Revit, waaronder: - **System Families:** Dit zijn basiscomponenten van een gebouw, zoals muren, vloeren, plafonds , daken, trappen, enzovoort. Deze standaard wordt geleverd met Revit en kunnen niet worden aangepast of gemaakt door gebruikers. - **Componentfamilies:** Dit zijn aanpasbare componenten die specifiek zijn voor een project, zoals ramen, deuren, verlichtingsarmaturen, meubilair, enzovoort.


        In Revit wordt de term "component" vaak gebruikt om specifieke bouwelementen aan te trekken die deel afkomstig van een BIM-model (Building Information Modeling). Componenten kunnen verschillende elementen omvatten, zoals ramen, deuren, verlichtingsarmaturen, sanitairarmaturen, meubilair en andere bouwkundige details.

        Hier zijn enkele belangrijke aspecten van componenten in Revit:

        1. Functie en doel: Componenten in Revit zijn ontworpen om specifieke functies te voltooien binnen een gebouwmodel. Ramen en deuren bieden bijvoorbeeld toegang en daglicht, verlichtingsarmaturen bieden verlichting, sanitairarmaturen bieden water- en afvoermogelijkheden, en meubilair biedt functionaliteit en comfort.

        2. Geometrie en parameters: Componenten in Revit hebben geometrie die wordt bedoeld door parameters zoals afmetingen, vormen, materialen en andere eigenschappen. Deze parameters kunnen worden aangepast om de componenten aan te passen aan de specifieke behoeften van het project.

        3. Families en types: Componenten worden meestal gemaakt en beheerd als families in Revit. Een familie is een verzameling van gerelateerde componenten met vergelijkbare eigenschappen en gedragingen. Binnen een familie kunnen verschillende typen worden gedefinieerd om variaties in grootte, vorm van configuratie mogelijk te maken.

        4. Plaatsing en positionering: Componenten kunnen worden geplaatst en gepositioneerd in het gebouwmodel met behulp van verschillende gereedschappen en commando's in Revit. Gebruikers kunnen componenten toevoegen aan plattegronden, aanzichten, doorsneden en 3D-weergaven, en ze vervolgens positioneren op de schijnbaar locaties binnen het model.

        5. Bewerken en aanpassen: Componenten kunnen worden bewerkt en aangepast om te voldoen aan de specifieke ontwerp- en constructievereisten van een project. Gebruikers kunnen parameters wijzigen, geometrie aanpassen, materialen toepassen en andere verbeteringen maken om componenten te implementeren voor hun toepassing.

        6. Interactie en connectiviteit: Componenten in Revit kunnen interactie hebben met andere elementen in het model, zoals muren, vloeren, plafonds en structurele elementen. Ze kunnen worden uitgelijnd, bevestigd, verbonden en gecombineerd aan andere elementen om een ​​integraal onderdeel te vormen van het totale gebouwontwerp.

        Componenten spelen een cruciale rol in het creëren van gedetailleerde en nauwkeurige BIM-modellen in Revit. Door effectief te werken met componenten kunnen gebruikers complexe gebouwen modelleren en ontwerpen met een hoge mate van precisie en optimalisatie.

        Rol (sorteercode)

        Een rol is een samenhangend pakket aan taken die door een of meer personen vervuld kan worden. De term 'rol' is feitelijk een algemene aanduiding die gebruik wordt om aan te kunnen geven wie welke handelingen mag uitvoeren. Tot voor kort was dat een onderdeel van de functie-omschrijving. Een medewerker heeft één organisatorische functie waaraan één of meer rollen kunnen zijn gekoppeld. Iemand die een rol opneemt, maakt zich verantwoordelijk voor een pakket van taken.

        Een rol verwijst naar de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en verplichtingen die aan een individu of een groep worden toegekend binnen het project. Rollen kunnen variëren van projectmanager, bouwvakker, architect, ingenieur tot onderaannemer, enzovoort. Elke rol heeft specifieke taken en verantwoordelijkheden die moeten worden vervuld om bij te dragen aan het succes van het project. Rollen worden vaak gedefinieerd in de projectorganisatiestructuur en kunnen variëren afhankelijk van de fase en complexiteit van het project.


        Ruimte of vertrek

        In het Industry Foundation Classes (IFC) wordt een "ruimte" gerepresenteerd als een object dat een specifieke functionele of fysieke ruimte binnen een gebouw beschrijft. Dit kan variëren van kamers, kantoren, gangen, toiletten, vergaderruimte binnen een gebouw. In het IFC bestandsformaat wordt een "ruimte" vertaald als "IfcSpace". IFCRoom is meer gericht zijn op individuele kamers met specifieke functies,


        Gebied dat in theorie of in werkelijkheid is begrensd. Hiermee worden gebieden voor een bepaald gebruik aangeduid. De in het schema aangegeven ruimten zijn ruimten die binnen (bouw)werken kunnen voorkomen, bijvoorbeeld verkeersruimte, vergaderruimte of vrije doorgang (onder viaduct). Ook kunnen ruimten worden onderscheiden op het niveau van complex, zoals stedelijke ruimte of recreatiegebied. (NEN 2660)



        Tabel 0.9 (Nl/Sfb)

        Bbl

        Makelaars

        NEN 2580


        Uitwerkingsniveau

        Uitwerkingsniveau, is het detailniveau van de uitwerking, van bijvoorbeeld een ontwerp, op enig moment.


        De klassieke vraag is of er een causaal verband is tussen de begrippen projectstadium en uitwerkingsniveau bij alle type projecten:

        1. Ja, bij nieuwbouw is er een causaal verband tussen een geclassificeerd projectstadium en een geclassificeerd uitwerkingsniveau, immers de scoop zit daarbij vaak tussen niks, het begin van het project, waarbij er letterlijk nog niets is, en het einde van het project, vaak een lange tijd daarna, de oplevering (met narooiwerk) van het opgeleverde, het object. Uitgaan van geclassificeerde fasen en uitwerkingsniveau's lijkt voor de hand liggend.
        2. Nee, bij verbouw en onderhoud, in de gebruiks- of exploitatiefase van het object, is er geen of in ieder geval veel minder causaal verband tussen een geclassificeerde fasering en een geclassificeerd uitwerksniveau, immers de scoop, die daarbij in tijd gezien relatief kort is, zit daarbij tussen wat er als zit (As Built) en het aangepaste (As Built) tenzij er sprake is van nagenoeg vervangende nieuwbouw of hoog niveau verbetering/verduurzaming. Uitgaan van zelf bepaalde fasen en uitwerkingsniveau's lijkt dan meer voor de hand liggend. Generiek kan een dergelijk project dan opgedeeld worden in de volgende fasen (voor discussie vatbaar):


          LOD

          Tot voor kort werd het uitwerkingsniveau in BIM gekoppeld aan het ontwikkelingsniveau van het gebouwmodel, de Level Of Development (LOD).

          De algemene beschrijving van de LOD-niveaus zijn:

          1. LOD 000, de pre-ontwerpfase, er is nog niet echt gemodelleerd;
          2. LOD 100: Dit niveau vertegenwoordigt een conceptueel ontwerp waarbij de geometrie van objecten slechts indicatief is. LOD 100-modellen bevatten meestal elementen met minimale details en nauwkeurigheid, en worden vaak gebruikt in de beginfase, zoals de SO-fase, van een project om ontwerpintenties te communiceren. Gebied, hoogte, volume, volumes, kleur, textuur, esthetische materialen, positie en oriëntatie zijn beginparameters;

          3. LOD 200: Bij dit niveau wordt de geometrie van de objecten verder ontwikkeld met meer nauwkeurigheid en details, bijvoorbeeld voor een morfolosche studie. LOD 200-modellen bevatten doorgaans specifieke afmetingen en vormen van de objecten, maar missen nog gedetailleerde technische informatie;

          4. LOD 300: Hierbij zijn de objecten volledig gedetailleerd en bevatten ze technische informatie over materialen, afmetingen, en relaties met andere elementen. LOD 300-modellen worden vaak gebruikt voor de productie van bouwkundige tekeningen en het genereren van kwantitatieve gegevens;

          5. LOD 400: Dit niveau vertegenwoordigt een nauwkeurig model dat geschikt is voor constructie, fabricage en installatie de uitvoering. LOD 400-modellen bevatten gedetailleerde informatie, waardoor ze geschikt zijn voor het beheren van bouwprocessen en coördinatie van verschillende disciplines tijdesn de uitvoering;

          6. LOD 500: Bij dit niveau bevatten de modellen informatie over de werkelijke prestaties van het gebouw na realisatie. LOD 500-modellen kunnen bijvoorbeeld operationele gegevens bevatten, zoals onderhoudsinstructies, energieverbruik en levensduurkosten.


          LODA

          Een van de concepten die de traditionele LOD-niveaus verder verbreedt en verfijnt, is "Level of Detail and Accuracy" (LODA).

          LODA, ontwikkeld door de National Institute of Building Sciences (NIBS) in de Verenigde Staten, richt zich op zowel de mate van detail (detailniveau) als de nauwkeurigheid van informatie in BIM-modellen. Het biedt een meer gedifferentieerde benadering dan de traditionele LOD-niveaus en omvat een breder scala aan criteria voor het definiëren van het niveau van detail en nauwkeurigheid in BIM-modellen.


          LOIN

          Level Of Information Need (conform ISO 19650). In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is LOIN niet simpelweg een vervanging voor LOD. Met de ISO 19650 norm introduceerde men ook meteen het nieuwe begrip LOIN, Level of Information Need, om de informatiebehoeften voor projectmanagement te kunnen verbeteren. De focus ligt niet langer op enkel de kenmerken van het object, maar op de behoefte aan informatie om te voldoen aan de eisen van de professionals op dat precieze moment in het (ontwerp)proces. Het "Level of Information Need" wordt gebruikt om te bepalen hoeveel informatie en detail er moet worden opgenomen in een BIM-model om te voldoen aan de behoeften van de verschillende belanghebbenden, zoals ontwerpers, ingenieurs, aannemers, facility managers, enzovoort. Het omvat onder meer de volgende aspecten:

          1. Doel van een fase, de functionele eis: Wat is het specifieke doel van het BIM-model? Is het bedoeld voor ontwerp, bouw, facility management of een opvolgende andere fase van het project?

          2. Niveau van detaillering: Hoe gedetailleerd moeten de geometrieën en attributen van objecten in het BIM-model zijn? Moet het model alleen geometrische representaties bevatten, of moeten ook attributen zoals kosten, planning, duurzaamheid, enzovoort worden opgenomen?

          3. Gebruikersbehoeften: Wat zijn de specifieke informatiebehoeften van de verschillende belanghebbenden? Welke informatie is essentieel voor hun taken en verantwoordelijkheden gedurende de levenscyclus van het project?

          4. Standaarden en richtlijnen: Welke standaarden, richtlijnen en contractuele vereisten, de prestatie-eisen, zijn van toepassing op het project? Moeten bepaalde BIM-standaarden worden gevolgd?

          Door het "Level of Information Need" duidelijk te definiëren, kunnen BIM-modellen worden afgestemd op de specifieke vereisten en verwachtingen van de belanghebbenden, wat bijdraagt aan een effectieve samenwerking, besluitvorming en projectuitvoering.


          LOS

          "Level of Specification" (LOS) is een term die wordt gebruikt in de context van bouw- en engineeringprojecten, met name in relatie tot het specificatieniveau. Het verwijst naar het niveau van detail en nauwkeurigheid waarmee specificaties zijn opgesteld voor verschillende aspecten van een project.

          Het niveau van specificatie kan variëren, afhankelijk van de fase waarin het project zich bevindt, van de vereisten van belanghebbenden en actoren en de complexiteit van de projectvereisten. Over het algemeen kan het niveau van specificatie worden onderverdeeld in gradaties, zoals:

          1. Hoog niveau van specificatie: Op dit niveau worden specificaties op een meer algemeen en overkoepelend niveau verstrekt. Dit kan bijvoorbeeld een algemene beschrijving zijn van de prestatievereisten, functionele specificaties of technische normen die van toepassing zijn op een bepaald onderdeel of systeem.

          2. Gemiddeld niveau van specificatie: Op dit niveau worden specificaties meer gedetailleerd en specifiek gemaakt, met meer exacte informatie over materialen, afmetingen, prestatiecriteria en andere relevante details. Dit kan bijvoorbeeld specifieke producten of merken omvatten die moeten worden gebruikt, evenals toleranties of kwaliteitsnormen die moeten worden nageleefd.

          3. Gedetailleerd niveau van specificatie: Op dit niveau worden specificaties zeer gedetailleerd en uitgebreid, met volledige informatie over alle aspecten van het te specificeren onderdeel, proces of systeem. Dit kan bijvoorbeeld gedetailleerde tekeningen, technische datasheets, testprotocollen, installatie-instructies en andere technische documentatie omvatten.

          Het juiste niveau van specificatie wordt bepaald door verschillende factoren, waaronder de complexiteit van het project, de mate van standaardisatie in de branche, de beschikbare informatie en de vereisten van belanghebbenden. Een goed gekozen niveau van specificatie zorgt voor duidelijkheid, consistentie en naleving van de vereisten gedurende alle fasen van het project.



          Het uitwerkingsniveau, het ontwikkelingsniveau van een gebouwmodel kan theoretisch gedifferentieerd naar de drie belangrijke informatiedragers, LOG, (Geometrie, het 3D-model), LOC (Cost, de kosten) en LOS (Specification). LOD=LOG+LOC+LOS.



          In het OSS is derhalve niet gekozen voor enkel een geclassificeerd uitwerkingsniveau. Door of namens de gebruiker kan men zelf bepalen het:

          1. uitwerkingsniveau op het einde van de fase.


          Sorteercode

          Een code waarmee een sortering mogelijk is op alle niveau van de objecten. Om zaken te filteren dan wel clusteren voor diverse doeleinden. Zodoende kunnen aspectspecificaties worden gegenereerd.


          Staat of toestand

          De toestand, niet enkel technisch, waarin een object zich bevindt. Vaak bouwdelen, zijnde de in een werk aangebracht bouwstoffen om aan een element fysieke en mateiele  invulling te geven.


          De staat van iets vastleggen kan via:

          1. Conditiescore, de technische kwaliteit of toestand
          2. Reinheidsgraad of schoonmaakkwaliteit, de kwaliteit van schoonmaak
          3. Beeldkwaliteit, hoe een bepaald object er op een bepaald moment uitziet.


          Spin

          Een spin diagram, ook bekend als een mindmap, is een visueel hulpmiddel dat wordt gebruikt om informatie, ideeën rond een centraal thema te organiserenen is zodoende een handige manier om ideeën te weven en te brainstormen. Een spindiagram ziet eruit als een spin, met het hoofdidee in het midden en lijnen die zich radiaal uitstrekken om verwante ideeën en subonderwerpen met elkaar te verbinden. Het helpt je om diepere verbanden tussen ideeën te brainstormen, mogelijke oplossingen te verkennen, concepten te visualiseren en meer. Spider-diagrammen biedt u een groter beeld van een onderwerp of probleem en de bijbehorende details.

          Het gebruikt meestal ruimte, kleur, lijnen, afbeeldingen en andere elementen om concepten te ordenen. Het geeft je een handige manier om je ideeën duidelijk te maken.


          Systems Engineering (methodiek)

          Systeemkunde, of systeemleer, is de wetenschap over het iteratief analyserenen en specificeren en daarna uittekenen of modelleren.

          Systems Engineering is ondermeer een werkmethode om op een gestructureerde wijze systemen, zoals een object feitenlijk is, te ontwikkelen, realiseren en beheren en hergebruiken.

          De methode systems engineering (SE) is bedacht voor Bell Industries en doorontwikkeld door het Amerikaanse leger. Het wordt sinds de jaren ’40 gebruikt om grote complexe zaken met ingewikkelde vraagstukken gestructureerd uit te voeren. Met deze methodieken denkt en doet men transparant, vanuit het systeem en de (oneindige) levenscyclus. Kernelementen binnen de methodiek zijn specificeren, ontwerpen (modelleren), realiseren, beheren, verifiëren en valideren.

          Systems Engineering (SE) is een interdisciplinaire benadering voor het ontwerpen, analyseren en beheren van complexe systemen gedurende hun levenscyclus. Het omvat een systematische en gestructureerde aanpak om te voldoen aan de behoeften van belanghebbenden en om te zorgen voor een optimaal functionerend systeem dat voldoet aan de gestelde eisen.


          Taak

          Een ‘taak’ is een hoeveelheid werk, die ongedeeld aan één partij kan worden opgedragen. Een taak in de context van de bouw verwijst naar een specifieke activiteit of handeling die moet worden uitgevoerd als onderdeel van het bouwproces, zoals het maken van het ontwerp, uitvoeren daarvan en het leveren van producten. Deze taken kunnen variëren afhankelijk van het type project, de fase van het project en de specifieke vereisten. Elke taak heeft meestal specifieke vereisten, zoals tijdlijnen, materialen, vaardigheden en middelen die nodig zijn om deze succesvol af te ronden. Door taken effectief te plannen, toewijzen en beheren, kunnen bouwprojecten op tijd en binnen budget worden voltooid.


          Techniek

          Een techniek, ook wel bekend als een werkmethodiek of werkprocedure, verwijst naar de specifieke methoden, processen of benaderingen die worden gebruikt om een activiteit uit te voeren. Dit omvat bijvoorbeeld de technieken die worden gebruikt bij het leggen van beton, de methoden voor het installeren van sanitair, de procedures voor het plaatsen van staalconstructies, enzovoort.


          Technische oplossing

          De Technische oplossing wordt geboren grotendeel vanuit de Klanteisenspecificatie (KES) en de objectenboom (SBS), de Functieboom (FBS), de eisen boom (RBS) en de Productenboom (PBS) in de eerste uitwerkfase. De belangrijkste beslissingen met de minste projectgegevens! Denk daarbij aan constructiemethoden (tabel 2 van de NL/Sfb, deels) en bouwmethodologie. Ook hierbij zijn prioriteitenstelling en gewicht van belang.


          Technische oplossing

          Een "technische oplossing" verwijst naar een specifiek plan, ontwerp of methode die wordt gebruikt om een bepaald probleem op te lossen of een bepaald doel te bereiken binnen een technisch of technologisch kader. In de context van bouw en engineering kan een technische oplossing verschillende aspecten omvatten, zoals het ontwerp van een structuur, de keuze van materialen, constructiemethoden, installatietechnieken, enzovoort.

          Elke technische oplossing vereist een grondige analyse van de vereisten, risico's en mogelijke alternatieven, evenals nauwkeurige planning, ontwerp en uitvoering om succesvol te zijn in het bereiken van de gewenste resultaten en indirect het beoogde doel.


          Technische Specificatie

          In de technische specificaties worden de voor een werk, dienst of levering gestelde kenmerken met waarden voorgeschreven. De technische specificaties zijn opgesteld aan de hand van prestatie- of functionele eisen, zo nauwkeurig dat de inschrijvers het voorwerp van de opdracht kunnen bepalen en de aan alle technische voorschriften, met name die welke zijn opgenomen in de aanbestedingsstukken, die een omschrijving geven van de vereiste kenmerken van een materiaal, een product of een levering, zodat dit of deze beantwoordt aan het gebruik waarvoor het materiaal, product of de levering door de aanbestedende dienst is bestemd; tot deze kenmerken behoren ook het niveau van milieuvriendelijkheid en klimaatprestaties, een ontwerp dat aan alle vereisten voldoet (met inbegrip van de toegankelijkheid voor gehandicapten), en de conformiteitsbeoordeling, gebruiksgeschiktheid, veiligheid, of afmetingen, met inbegrip van kwaliteitsborgingsprocedures, terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, markering en etikettering, gebruiksaanwijzingen en productieprocessen en -methoden tijdens de verschillende stadia van de levenscyclus van de werken; deze kenmerken omvatten eveneens de voorschriften voor het ontwerpen en het berekenen van het werk, de voorwaarden voor proefnemingen, controle en oplevering van de werken, alsmede de bouwtechnieken of bouwwijzen en alle andere technische voorwaarden die de aanbestedende dienst bij algemene dan wel bijzondere maatregel kan voorschrijven met betrekking tot de voltooide werken en tot de materialen of bestendelen waaruit deze werken zijn samengesteld;

          GPT

          Een technische specificatie is een gedetailleerd document dat de technische vereisten, normen en specificaties beschrijft waaraan een product, systeem of dienst moet voldoen. In de context van bouwprojecten is een technische specificatie een cruciaal onderdeel van het contract tussen de opdrachtgever en de aannemer. Het biedt een gedetailleerde beschrijving van de materialen, methoden, normen en prestatiecriteria die moeten worden nageleefd bij de uitvoering van het project.


          Toetsen

          Toetsen is het generieke begrip, vaak van de gebruikelijke cultuur binnen iets of gebaseerd op de toegepaste algemene voorwaarden, voor:

          1. Keuren;
          2. Opnemen;
          3. Beproeven;
          4. Opleveren;
          5. Toetsen;
          6. Testen;
          7. Audit;
          8. Assessment.


          In SE wordt dit gescheiden in:

          1. Verificatie, het meten of iets voldoet aan de gestelde prestatie-eisen door de levering van objectief bewijs. Binnen Systems Engineering wordt veelvuldig en op verschillende momenten binnen het procesverloop, bijvoorbeeld via het proces van Plan, Do, Act en Check (Deming), gecontroleerd of het gevraagde in overeenstemming is met de vooraf opgesteld prestatie-eisen.
          2. Validatie, gebeurt in navolging van verificatie en maakt inzichtelijk in hoeverre het uiteindelijke (te maken en gemaakte) systeem, bestaande uit objecten, voldoet aan de klantvraag. Validatie is de bevestiging dat aan de functionele eisen voor een specifiek beoogd gebruik of specifiek beoogde toepassing is voldaan.


          Verificatie en validatie waarden (status) (zelf bedachte optie):

          1. --, afgekeurd
          2. -+, grotendeels afgekeurd
          3. +-, grotendeels goedgekeurd
          4. ++, goedgekeurd

          Op deze wijze kan met tussenstanden genereren uithet OSS. Op het eind van een fase is het de bedoeling dat alles op goedgekeurd staat, zowel de verificatie als validatie.


          Verificatiematrix

          Een verificatiematrix is een gestructureerd document dat wordt gebruikt in projectmanagement en kwaliteitsborging om vereisten te koppelen aan hun bijbehorende verificatiemethoden of tests. Het zorgt ervoor dat elke vereiste correct wordt getest en geverifieerd. De matrix omvat meestal:

          1. Vereisten: Een lijst van alle prestaties die moeten worden getest.
          2. Verificatiemethoden: De technieken of methoden die worden gebruikt om elke prestatie-eis te verifiëren.
          3. Status: Geeft aan of de verificatie voor elke vereiste is voltooid of niet.


          Verificatieplan

          Een verificatieplan is een document dat de strategie en aanpak beschrijft voor het verifiëren van de naleving van de specificaties, vereisten of normen van een project, product of systeem. Het omvat typisch de volgende elementen:

          1. Doel: Een beschrijving van het doel van de verificatie, bijvoorbeeld het garanderen dat het eindproduct voldoet aan de vereisten zoals gespecificeerd in de klantvereisten of het contract.

          2. Scope: Een overzicht van wat er zal worden verifieerd, inclusief de functies, kenmerken, en prestaties van het product of systeem.

          3. Verificatiestrategie: Een beschrijving van de benadering en methoden die zullen worden gebruikt om de verificatie uit te voeren. Dit kan testen, inspecties, reviews, simulaties, en andere technieken omvatten.

          4. Verantwoordelijkheden: Een toewijzing van verantwoordelijkheden voor het uitvoeren van de verificatieactiviteiten, inclusief wie verantwoordelijk is voor het plannen, uitvoeren en rapporteren van de resultaten.

          5. Hulpmiddelen en middelen: Een lijst van de benodigde hulpmiddelen, middelen en faciliteiten die nodig zijn voor het uitvoeren van de verificatieactiviteiten.

          6. Planning en schema: Een planning van wanneer de verificatieactiviteiten zullen plaatsvinden, inclusief mijlpalen en deadlines.

          7. Risicobeoordeling: Een evaluatie van de risico's die gepaard gaan met de verificatieactiviteiten en eventuele plannen voor risicobeheer.

          8. Acceptatiecriteria: Specifieke criteria waaraan het product moet voldoen om te worden geaccepteerd als succesvol geverifieerd.

          Het verificatieplan dient als een leidraad voor het verifiëren van de kwaliteit en prestaties van het product of systeem en biedt een gestructureerde aanpak voor het uitvoeren van verificatieactiviteiten gedurende het hele project.


          Verificatierapport

          Een verificatierapport is een document dat de resultaten van de verificatieactiviteiten samenvat en rapporteert. Het biedt een gedetailleerd overzicht van de uitgevoerde tests, inspecties of andere verificatiemethoden, samen met de bijbehorende bevindingen en conclusies. Typische elementen van een verificatierapport zijn onder meer:

          1. Inleiding: Een beschrijving van het doel en de scope van de verificatieactiviteiten, inclusief de te verifiëren items en de gebruikte verificatiemethoden.

          2. Verificatieactiviteiten: Een gedetailleerd verslag van de uitgevoerde verificatiemethoden, inclusief de testcases, inspectieresultaten, testomgevingen en andere relevante informatie.

          3. Resultaten: Een samenvatting van de resultaten van de verificatieactiviteiten, inclusief geslaagde tests, gevonden problemen of defecten, en eventuele afwijkingen van de verwachte resultaten.

          4. Conclusies: Een evaluatie van de verificatieresultaten en conclusies over de mate waarin het product of systeem voldoet aan de vereisten en specificaties.

          5. Aanbevelingen: Indien van toepassing, suggesties voor verbetering of correctieve acties op basis van de bevindingen van de verificatieactiviteiten.

          6. Bijlagen: Eventuele aanvullende documentatie, zoals gedetailleerde testrapporten, traceerbaarheidsmatrixen, of andere ondersteunende informatie.

          Het verificatierapport wordt meestal opgesteld door het verificatieteam of de verantwoordelijke personen en wordt gedeeld met relevante belanghebbenden, zoals het projectmanagement, klanten, of andere betrokken partijen. Het biedt transparantie en traceerbaarheid van de verificatieactiviteiten en vormt een belangrijk onderdeel van het kwaliteitsborgingsproces.


          Werkmethode

          Een werkmethode, techniek, ambacht of werksoort. Om diverse activeiten te clusteren.


          Werkpakket

          Een onderdeel van het werk wat op zichzelf staand kan worden uitgevoerd, denk bijvoorbeeld aan de fundering, waartoe ook technieken als tijdelijke (bouwplaats) voorzieningswerk (bemaling/damwand), grondwerk en funderingswerk kan behoren. Een werkpakket in de context van projectmanagement, inclusief bouwprojecten, is een verzameling gerelateerde taken die zijn gegroepeerd om een specifiek doel te bereiken binnen het project. Het werkpakket wordt vaak gedefinieerd als een afgebakend deel van het project dat kan worden toegewezen aan een team.Elk werkpakket heeft een specifiek doel of een set van deliverables die moeten worden bereikt.


          Werksoort

          Klassiek worden de technische oplossing, de werkbeschrijving in de TO-fase, de vroegere besteksfase, gegroepeerd naar technieken, ambachten of werksoorten zoals schilderwerk, behangwerk, timmerwerk etc. Onderaannemingsovereenkomsten zijn vaak hierop gebaseerd. Reden ooit hiervoor was dat je dan de beschrijving van het werk leest in de uitvoeringsvolgorde en je kon een werksoort hoofdstuk eenvoudigen laten uitwerken door een onderaannemer vanuit de aannnemer. Thans zou dit, in de optiek van een object gericht specificatiesysteem (OSS) opgepakt kunnen worden in de sorteermogelijkheid van de technische oplossing, vervat in activiteiten in combinatie met de aan te wenden bouwstoffen.



          Zone of gebied (objectenbibliotheek)

          De IFC entiteit "IfcZone" verwijst naar een zone of gebied binnen een gebouw. De attributen/property-sets bevatten zaken over de functie, afmetingen, relaties tot andere zones en andere relevante attributen. Deze informatie is nuttig voor het begrijpen van de ruimtelijke organisatie en functionele indeling van een gebouw, evenals voor analyses zoals energieprestatieberekeningen, ruimteplanning en veiligheidsbeoordelingen.



          Opnemen in het systeem


          De "zwaarte" van de functionarissen in deze

          De letters MSCW in kolom S0 t/m S8

          Het systeem bepaald uiteindelijk de definitieve gewogen score in kolom S9










          Subject






          Attribuut

          Formele aanduiding voor een eigenschap of kenmerk, zoals dat in een databank wordt opgeslagen


          Ambitie

          streven naar een bepaald doel dus is het in feite een functionele eis


          Functie

          Met COINS kun je functies koppelen aan objecten



          SE ISO 15288

          25 deelprocessen

          30 procesen









          unsplash